Back to Top
Woensdag 18 Oct
86002 users - nu online: 1338 people
86002 users - nu online: 1338 people login
VAN ONZE EDITORS
Printervriendelijke Pagina  
Born this way: Een filosofische blik op wetenschap en homoseksualiteit

door John Luteijs in Films & boeken , 09 juli 2016


Niets zo veranderlijk als mensen. Dat blijkt wel uit hun omgang met het fenomeen homoseksualiteit. “Een halve eeuw geleden was het volstrekt normaal te beweren dat homoseksualiteit een ziekte is. Tegenwoordig worden verdedigers van diezelfde stelling als ziek beschouwd,” aldus de auteurs in een doorwrocht boek over opvattingen over homoseksualiteit.

Wat is er allemaal gebeurd dat die opvattingen zo radicaal konden veranderen? En veranderden ze wel zo radicaal?

De Leuvense universitair docent Pieter Adriaens en de hoogleraar Andreas De Block laten de lezer op een filosofische manier kijken naar hoe wetenschap met homoseksualiteit is omgegaan. Die insteek is op een aantrekkelijke manier gelukt. Vaker dan eens nemen de auteurs je mee in een betoog, waarvan je denkt: zo zit het. Maar even later bekijken ze de zaak vanuit een ander perspectief of ze brengen nuances aan en dan ga je twijfelen: vanzelfsprekendheden blijken helemaal niet zo vanzelfsprekend te zijn.

De auteurs beperken zich tot de mannelijke homoseksualiteit, omdat daar veel meer onderzoek naar is gedaan dan naar vrouwelijke (homo)seksualiteit. Daarbij komt dat mannelijke en vrouwelijke homoseksualiteit andere zaken zijn, die je niet zo maar als één fenomeen kunt beschouwen. Verder beperkt het boek zich tot de zoölogie, evolutiebiologie, psychiatrie en sociale psychologie. Wetenschappen als genetica, hersenwetenschappen, hormonologie en sociologie komen amper of niet aan de orde: de auteurs moesten keuzes maken.


Wat is homoseksualiteit?

Eén van de centrale vragen in het boek luidt: is homoseksualiteit natuurlijk en zo ja, wat betekent dat voor de acceptatie van homoseksualiteit? Een andere centrale vraag betreft de definitie van homoseksualiteit. De auteurs bestrijden dat er zoiets bestaat als dé biologische essentie van homoseksualiteit. Er is voor het verklaren van homoseksualiteit veel meer nodig dan een homogen of andere biologische theorieën.

In het eerste hoofdstuk maken de auteurs vergelijkingen tussen homoseksualiteit bij dieren en bij mensen en bespreken daartoe tweehonderd jaar onderzoek op dit gebied. Daarbij onderzoeken ze homoseksualiteit vanuit vijf invalshoeken. Homoseksualiteit kan een gedrag zijn, maar er zijn zeer veel soorten  gedragingen. Als orinocodolfijnen elkaar in het blaasgat penetreren, is dat een andere vorm van seksualiteit dan diddling, het elkaar vastpakken bij het geslacht, zoals bij Aboriginals in Australië en Bedamini in Papoea-Nieuw-Guinea voorkomt. Homoseksualiteit kan een verlangen zijn. Dat seksueel verlangen zegt niet meteen iets over de seksuele voorkeur. In gevangenissen kunnen mannen homoseksuele verlangens hebben, maar velen van hen houden desondanks een voorkeur voor heteroseksuele contacten.

De auteurs maken vervolgens een onderscheid tussen voorkeur en oriëntatie. Een voorkeur kan eenmalig of vluchtig zijn, terwijl een oriëntatie voortdurend en stabiel aanwezig is. Tot slot bespreken de auteurs de homoseksuele identiteit. Ook dit begrip is, net als de eerder genoemde begrippen, niet eenduidig. Soms is het een label dat mensen op basis van bepaalde seksuele eigenschappen of gedragingen zichzelf opplakken om zich te onderscheiden van anderen. Soms heeft het te maken met een politieke invulling: iemand noemt zich niet man, niet zwart, niet sporter, maar homoseksueel. Soms nemen mensen een bepaalde levensstijl aan omdat ze zichzelf als homoseksueel beschouwen. Wat al deze identiteitsvormen met elkaar gemeen hebben is het feit dat ze zelfbewustzijn veronderstellen.


Dieren

Van deze vijf categorieën komen de eerste vier bij dieren voor, de vijfde is sterk betwijfelbaar, maar hoe dan ook: de auteurs waarschuwen ervoor dat de genoemde categorieën niet identiek zijn met die van mensen. “Door dierlijke seksualiteit te vermenselijken vergooien we de kans om inzicht te verwerven in de unieke determinanten van hun gedrag [...].” De andere kant is ook waar: Onderzoek bij dieren (niet alleen naar homoseksualiteit) helpt bij het ontrafelen van menselijke gedragingen. Door diermodellen kunnen hypothesen over de aard en oorzaken van de menselijke (homo)seksualiteit worden geformuleerd, maar wat voor dieren geldt, geldt nog niet voor mensen. Verder laten de auteurs zien, hoe wetenschappers de homoseksualiteit bij dieren ontkenden: wat niet mocht bestaan, kon niet bestaan.


Evolutionaire paradox

In het tweede hoofdstuk gaan de auteurs in op homoseksualiteit als evolutionaire paradox. De vraag luidt: als homoseksuelen zich niet voortplanten, hoe kan het dan zijn dat homoseksualiteit toch nog steeds bestaat? Deze vraag is interessant omdat die de discussie beïnvloedt tussen essentialisten (er is een vast doelwit van homoseksualiteit dat wetenschappers proberen te ontdekken) en sociaalconstructivisten (er zijn veel homoseksualiteiten die elk hun vorm ontlenen aan de specifieke sociale en culturele omstandigheden). De stelling dat homoseksualiteit een evolutionaire paradox is gaat uit van drie vooronderstellingen. “Homoseksuelen” zouden niet vruchtbaar zijn. De tweede luidt dat er sprake is van erfelijkheid (homogen).


Homoseksualiteiten

De derde vooronderstelling luidt dat veel evolutiewetenschappers ervan uit gaan dat homoseksualiteit vanuit historisch oogpunt behoorlijk stabiel is. Hedendaagse westerse homoseksuelen zouden niet wezenlijk van homoseksuelen in andere culturen verschillen. Die vooronderstelling klopt volgens de auteurs niet, onder andere omdat veel onderzoeken naar homoseksualiteit zijn uitgevoerd onder proefpersonen (vaak studenten) die de volgende kenmerken hebben: westers, hoog opgeleid, geïndustrialiseerd, rijk en democratisch. En dat terwijl slechts twaalf procent van de wereldbevolking die kenmerken heeft.

“Het is voorbarig en misleidend te veronderstellen dat ‘onze’ homoseksuelen representatief zijn voor alle vormen van seksualiteit onder seksegenoten in alle tijden en in alle culturen.” Stabiele factoren in de menselijke geschiedenis zijn homoseksuele gedragingen en homoseksuele verlangens. Sommige historici menen ook dat bepaalde individuen een voorkeur hadden voor seks met seksegenoten.

Maar de homoseksuele identiteit zoals we die nu kennen is duidelijk een modern westers verschijnsel, waarnaar de Franse filosoof Michel Foucault in de vorige eeuw baanbrekend onderzoek heeft gedaan. Foucault stelde dat vanaf de achttiende en negentiende eeuw niet alleen homoseksueel handelen mogelijk was, was ook homoseksueel te zijn. Hierin speelden vooral de medici een belangrijke rol. Door het ontstaan van homoseksualiteit ontstond vanzelf ook zijn tegenhanger: heteroseksualiteit. Beide fenomenen zijn dus relatief moderne, westerse  verschijnselen.

Het is dan ook onjuist om met betrekking tot homoseksualiteit een continue lijn vanaf de oude Grieken naar de moderne tijd te trekken. Moderne homoseksuelen hebben bijvoorbeeld overwegend seksuele betrekkingen met individuen van hetzelfde geslacht, met wie ze leeftijd en sociale status delen. In niet-westerse en premoderne samenlevingen kwam dat niet voor. In onze tijd is het ongewenst dat mannen met jongens en jongemannen seksuele relaties aanknopen en dat die jongens en jongemannen op latere leeftijd dat ook weer met jongens en jongemannen doen, én dat ze gelijktijdig met een vrouw zijn getrouwd en kinderen krijgen. Zulke relaties kwamen echter zowel voor in bepaalde delen van het antieke Griekenland, als in de samoeraicultuur in Japan in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd, als bij de middeleeuwse mammelukken in de islamitische wereld en in het Italië van de Renaissance. Kun je die vormen van seksualiteit homoseksualiteit noemen zoals wij dat nu doen?
 
Een ander punt waarop de moderne westerse homoseksueel zich onderscheidt van andere vormen van homoseksualiteit waren de vele kenmerken die in onze cultuur als vrouwelijk worden beschouwd. Deze “vrouwelijkheid” staat in schril contrast met vroegere en niet-westerse vormen van “homoseksualiteit.” De antropoloog Gilbert Herdt beschreef bijvoorbeeld hoe bij een stam in Nieuw-Guinea adolescenten sperma van oudere groepsleden doorslikken om zo mannelijkheid te verwerven. Ook daarbij moet je je afvragen of je dit homoseksualiteit kunt noemen zoals wij dat begrip hanteren.

De auteurs stellen echter ook vragen bij de bronnen die ze gebruiken, vooral de historische bronnen. Hoe representatief zijn die? Wordt de rol van de medici, die de homoseksuele identiteit in grote mate vorm gaven, niet overschat? Want kwam vrouwelijkheid bij “homoseksuelen” niet ook voor in het antieke Griekenland, bij de zogenoemde kinaidos, die veracht en doodgezwegen werden? Overigens laten juist de kinaidos zien dat ze als een identiteit werden beschouwd, waarmee volgens de auteurs het concept van de modern homoseksuele identiteit niet uniek is. En ook in de middeleeuwen was er sprake van “dat soort mannen.” Dus: ja, de moderne homoseksueel is een relatief nieuw fenomeen, en nee, de koppeling van homoseksualiteit en identiteit is niet uniek in de geschiedenis.


Homoseksualiteit in de samenleving

In hun poging de essentialistische en constructivistische visie bij elkaar te brengen en aan te tonen dat homoseksualiteit vanuit de evolutietheorieën een paradox is, grijpen de auteurs terug naar twee theorieën. De alliantieformatiehypothese gaat er van uit dat homoseksuele contacten de strategische alliantie tussen niet-verwanten versterkt en bewaart. Deze allianties zouden zowel bij dieren als mensen voorkomen. Denk aan de Thebanen in het oude Griekenland en een vergelijkbare homoseksuele camaraderie in oorlogstijd bij de Japanse samoerai. De andere theorie die de auteurs aanhalen is de “dual inheritace theory” (DIT), die verklaart dat diversiteit in het menselijk gedrag het resultaat is van zowel genetische als culturele informatie. De sociale omgeving heeft een belangrijke invloed op de ontwikkeling van onze seksuele voorkeuren. Opvallend is dat populaties waar het economisch goed gaat, een opvallende vruchtbaarheidsdaling laten zien.

Maar ook genderrollen en familiebanden veranderen daardoor. Verder valt op dat in samenlevingen die zich minder goed economisch ontwikkeld hebben, de houding ten aanzien van homoseksualiteit divers is: van sterke afwijzing tot oogluikende toelating. In landen die zich economisch ontwikkeld hebben stijgt echter de acceptatie van homoseksualiteit. Eén van de redenen daarvoor zou zijn dat de strikte voortplantingsnormen in economisch sterke gebieden veel minder streng zijn geworden. De auteurs concluderen dat de evolutietheorieën vooral laten zien dat veranderlijkheid en variatie deel uitmaken van de menselijke natuur, en dus ook van homoseksualiteit.


Een ziekte?

In het derde hoofdstuk staan de auteurs uitvoerig stil bij de vraag of homoseksualiteit een ziekte is. Nadat homoseksualiteit tot begin negentiende eeuw vooral als een misdaad werd gezien, werd het onderwerp homoseksualiteit vanaf de achttiende eeuw steeds sterker door de medische wetenschap omarmd en werd het verschijnsel steeds meer als een ziekte beschouwd. Met name de psychiatrie hield zich met het thema bezig.

De psychiatrie lijkt een ommekeer in het denken over homoseksualiteit te hebben bewerkstelligd, maar dat is slechts ten dele waar. De ethiek, rechtspraak en theologie werkten nauw samen met de psychiatrie. Artsen en psychiaters waren vaak forensische experts; de juridische aanpak versterkte de psychiatrische benadering. Maar ook de theologie versterkte de psychiatrie. Niet alleen doordat beiden de term perversie gebruikten (als afwijking van de goddelijke norm), maar ook omdat de middeleeuwse theologen en filosofen stelden dat de goddelijke wet ook de wet van de natuur was. Tegen de natuur waren alle vormen van seksualiteit die niet tot nageslacht leidden. De “onnatuurlijke ondeugden” werden erger gevonden dan bijvoorbeeld overspel, verkrachting en incest. Ook de psychiatrie zag homoseksualiteit als een verschijnsel dat ongewenst was. Daar kwam pas definitief verandering in toen homoseksualiteit in 1974 uit het diagnostisch handboek van de psychiatrie (DSM) verdween. Dat gebeurde niet zonder slag of stoot; het al dan niet schrappen van homoseksualiteit heeft de beroepsgroep sterk verdeeld. Het handboek werd uitgegeven door de American Psychiatric Association (APA en werd wereldwijd erkend.

Op fascinerende wijze laten de auteurs zien, hoe kritisch doorvragen en lobbyen ervoor zorgden dat over het al dan niet handhaven van homoseksualiteit als stoornis in het handboek in 1974 door de APA-leden werd gestemd; homoseksualiteit werd als stoornis geschrapt. Voor veel buitenstaanders kwam dit over “alsof het opstellen van de psychiatrische nomenclatuur veeleer een politieke kwestie was dan een wetenschappelijke onderneming.” Robert Spitzer, die de opdracht had gekregen de verdeeldheid binnen de APA over homoseksualiteit glad te strijken, besefte volgens de auteurs als een van de weinigen dat wetenschap niet het laatste woord kon hebben “en dat er altijd buitenwetenschappelijke factoren een rol zouden spelen bij beslissingen als deze. Volgens Spitzer had dit te maken met het feit dat begrippen als ‘stoornis’ en ‘ziekte’ altijd ook te maken hadden met waarden.”

Dit is een belangrijke conclusie in het boek, omdat de wetenschap daarmee weliswaar nog steeds belangrijk is, maar ze is niet de instantie die essentiële vragen over waarden kan beantwoorden. Dat betekent ook dat er geen onbetwistbare criteria zijn waarom men een afwijkend verschijnsel niet als ziekte zou bestempelen. De oplossing voor dit dilemma zien de schrijvers in het loslaten van een onderscheid te willen maken tussen ziekte en gezondheid. Voor de psychiatrie en geneeskunde speelt het immers geen centrale rol. De psychiatrie moet zich bezighouden met beschrijven en verklaren, vervolgens met zich af te vragen of een bepaalde conditie wenselijk is of niet, en uiteindelijk of die behandeld moet worden. Dan komen vragen naar voren als: wat vindt het individu ervan? Wat vindt de samenleving? Waarom hebben ze het waardeoordeel dat ze hebben? Is dat oordeel terecht? Hoe ga je ermee om? Ideaal is deze oplossing uiteraard niet voor alle gelederen in de gezondheidszorg: wat moeten verzekeraars als niet helder is wat behandeld (en vergoed) moet worden? En hoe zit het met de eenduidigheid in de medische wetenschap?


Homonegativiteit

In het vierde en laatste hoofdstuk staan de auteurs stil bij de relatie tussen de meestal negatieve attitudes en overtuigingen ten aanzien van homoseksualiteit. Een belangrijke bron voor homonegativiteit is het natuurwetsdenken. Dit denken heeft een belangrijke rol gespeeld in de radicale afwijzing van homoseksualiteit door het christendom. De christelijke filosoof en theoloog Thomas van Aquino (1225-1274) stelde dat seksualiteit alleen aanvaardbaar is als ze de voortplanting dient. Of het daadwerkelijk tot nageslacht zou komen, was niet belangrijk, ook niet als de partners wisten dat een van hen of beiden onvruchtbaar waren. Immers: de geslachtsorganen werden “generatief” gebruikt. Alle andere seksuele handelingen (masturbatie, homoseksualiteit, bestialiteit, anale seks) waren zondig.
 
Tegenwoordig is het natuurwetsdenken nog steeds actueel, alleen zien de natuurwetsdenkers ook een andere belangrijke functie van seks: de affectief beladen handeling. Verder ligt het natuurwetsdenken onder vuur vanwege de gedachte dat men vanuit een beschrijving van hoe de dingen zijn mag afleiden hoe de dingen moeten zijn. Daarmee zouden zaken als incest en verkrachting kunnen worden goedgekeurd. Het natuurwetsdenken is weliswaar filosofisch gezien moeilijk te verdedigen, maar het vormt voor veel mensen nog altijd een belangrijke bron bij het vormen van hun morele oordelen.


Psychologisch essentialisme

De auteurs mijden het begrip homofobie, omdat het niet om een ziekte, angst of vrees gaat. Er spelen andere emoties een rol, zoals morele of seksuele walging en angst voor “besmetting.” Daarom moesten homoseksuelen uit de samenleving verwijderd worden. De auteurs gebruiken daarom liever het begrip homonegativiteit.
 
Een interessant begrip dat de auteurs invoeren is psychologisch essentialisme. Zij beroepen zich daarbij op de psycholoog Douglas Medin en de filosoof Andrew Ortony. “Wat zij psychologisch essentialisme noemen is ‘niet de visie dat dingen essenties hebben, maar wel de visie dat de representaties die mensen hebben, gebaseerd kunnen zijn op een overtuiging dat dingen een essentie hebben, hoe fout die overtuiging ook moge zijn.’” Mensen hebben bijvoorbeeld de neiging om dieren in soorten op te delen en te denken dat die dieren de essentie van die soort hebben, ook al weten we dat dit vaak niet klopt. Het volstaat dat we denken dat bepaalde dingen iets gemeenschappelijks hebben, ook al hebben we nauwelijks een idee wat dat gemeenschappelijke dan zou moeten zijn.

Als we denken dat de huidskleur veroorzaakt wordt door een diepe essentie die alle mensen van een bepaald ras gemeenschappelijk hebben, gaan we de huidskleur gebruiken om mensen in rassen in te delen. “Van jongs af aan hebben mensen overal ter wereld de neiging om de natuurlijke en sociale wereld die hen omringt op te delen in essentialistische categorieën. Dieren, planten en seksuele voorkeuren worden geïdentificeerd en van elkaar onderscheiden op basis van een vermeende onderliggende essentie die er in werkelijkheid niet is.”

Essentialistische overtuigingen over een sociale categorie gaan vaak samen met een negatieve attitude ten aanzien van de groep. Essentialisme leidt tot meer stereotyperingen en vooroordelen. Maar soms gaat het ook samen met een positievere houding. Bij homoseksualiteit lijkt dat het geval te zijn: hoe meer men homoseksualiteit als een essentie ziet, hoe toleranter men lijkt te zijn ten aanzien van homo-huwelijk, homo-adoptie, etc. De reden voor deze geringere mate van homonegativiteit hangt samen met het feit dat als mensen er niets aan kunnen doen dat ze homo/zwart etc. zijn, ze zo zijn van nature. Van de andere kant zijn er ook mensen die essentialist zijn, maar die aan homoseksualiteit negatieve eigenschappen toekennen zoals promiscuïteit, waardoor zij een homonegatieve houding hebben.


Bestaande attitude rationaliseren

Op basis van recente studies laten de auteurs nog een ander fenomeen zien. Het is niet zo dat mensen op basis van rationele afwegingen tot een houding komen, maar omgekeerd: “In werkelijkheid lijken mensen vooral hun bestaande attitude te rationaliseren door bepaalde stellingen over de aard en oorsprong van homoseksualiteit te onderschrijven. Anders gezegd: mensen kiezen overtuigingen die overeenstemmen met eerdere attitudes.” Wat niet wil zeggen dat overtuigingen helemaal geen invloed meer hebben, maar de auteurs laten zien dat het onduidelijk is hoe dat precies werkt.

De auteurs waarschuwen ervoor homonegativiteit bij voorbaat als irrationeel aan te merken. Net zo irrationeel is een positieve houding ten aanzien van homoseksualiteit, als die bijvoorbeeld gebaseerd wordt op de aanname dat homoseksualiteit ook bij dieren zou voorkomen. En men kan wel degelijk de stelling ontkennen dat homoseksualiteit van alle tijden zou zijn, zonder intolerant ten aanzien van homoseksualiteit te zijn. Net zo kan iemand rationele argumenten aandragen om tegen het homo-huwelijk te zijn, zonder dat zo iemand een homonegatieve houding of gevoelens heeft. Binnen de homobeweging zelf was/is men niet altijd onverdeeld gelukkig met het homo-huwelijk.

De auteurs hebben in hun boek laten zien dat ze terecht sceptisch zijn ten aanzien van het morele belang van wetenschappelijk onderzoek naar de aard en oorzaak van homoseksualiteit. Maar – hoe kan het ook anders – ze nuanceren. Wetenschap kan namelijk corrigeren bij het weerleggen van onjuiste of onterechte stellingen over de moraliteit van homoseksualiteit. En zo kan wetenschap laten zien dat de strijd tegen discriminatie en stigmatisering snelle en indrukwekkende resultaten kan hebben voor het welzijn van homoseksuele mannen en vrouwen.


Geen pageturner

Het boek van Adriaens en De Block is geen pageturner. Als lezer moet je er echt voor gaan zitten. En dat het liefst vaker dan één keer. Maar de moeite loont zich. Het boek is een aanrader voor iedereen die zich met homostudies – in de breedste zin van het woord – bezig houdt. De auteurs laten je nadenken over homoseksualiteit en hebben daarbij geen respect voor heilige huisjes. Ze nemen je mee op hun weg, ze verleiden je mee te gaan op hun denkpad, om je vervolgens te laten struikelen door je te confronteren met vanzelfsprekendheden die geen vanzelfsprekendheden blijken te zijn. Hun belangrijkste conclusie: dé homoseksualiteit zoals wij die in het Westen kennen is slechts één vorm van homoseksualiteit. Er zijn vele andere vormen van homoseksueel gedrag en verlangen die je niet  zo maar onder één noemer kunt vangen.

Het boek is ook verontrustend. De gelijkwaardigheid van homoseksualiteit / homoseksuelen laat zich niet alleen met wetenschappelijk onderzoek onderbouwen. Er zijn geen objectieve criteria op basis waarvan homoseksualiteit gelijkwaardig is ten opzichte van andere vormen van seksualiteit. Wetenschap heeft niet het laatste woord. Er zijn altijd krachten buiten de wetenschap die een rol spelen bij het vaststellen van “feiten.” Daar meer zicht op krijgen, dat is wat dit boek op boeiende wijze doet. Ons geruststellen doet het boek daarmee allerminst.



Pieter Adriaens en Andreas de Block,
Born this Way: Een filosofische blik op wetenschap en homoseksualiteit.
Leuven: Lannoo Campus, 2015. 263 pag., paperback, ISBN 9789401404327, € 24,99



 









Rubrieken:








In het nieuwste nummer, Gay News 314, 2017






Rainbow Expo
27/28/29 oktober, Nieuwegein











Meer uit Films & boeken
Meer uit nummer 298
Meer van John Luteijs





Boysclub 21


Oldest boysclub

meer info |visit


People


Amsterdams no. 1 gay escortservice

meer info |visit















bottom image




Entire © & ® 1995/2017 Gay International Press & Stichting G Media, Amsterdam. All rights reserved.
Gay News ® is een geregistreerde merknaam. artikelen Gay News; duplicatie niet toegestaan. Opname uitsluitend na schriftelijke toestemming van uitgever, met verplichte bronvermelding gaynews.nl. Door derden overgenomen artikelen worden in rekening gebracht, en zo nodig geincasseerd. Gay News ISSN: 2214-7640, ISBN 8717953072009. Gay News op Wikipedia.
Volg Gay News:
Twitter Issuu
RSS RSS Editors
zelfstandige Escortboys

CMI
Neem contact op
Abonneren
Adverteren






© 1995/2017 Gay News ®, GIP/ St. G Media