Back to Top
Donderdag 23 Nov
86024 users - nu online: 1233 people
86024 users - nu online: 1233 people login
VAN ONZE EDITORS
Printervriendelijke Pagina  
Antoine en Camile, een Franse roman uit Napoleon's tijd - deel 3


door Caspar Wintermans in Historie & Politiek , 14 maart 2016


Toen de uitgever Pigoreau in zijn Petite bibliographie biographico-romancière (1821) over de romans van mevrouw Grandmaison Van-Esbecq opmerkte dat ze “interessant en goed geschreven” waren, bewees hij naar eigen zeggen daarmee dat hij vrij was van rancune. De dame had hem in het verleden immers weinig elegant behandeld. Hij trad helaas niet in details.

We weten sowieso nagenoeg niets over deze auteur; zelfs haar voornaam, haar geboorte- en sterfdatum zijn niet overgeleverd. Haar debuut verscheen in 1797 en getuigde van moed. Adolphe, ou la Famille malheureuse was een sleutelroman met royalistische strekking, en daarmee kon je destijds in ernstige moeilijkheden raken, want vrijheid van meningsuiting was in de Republiek voorbehouden aan burgers die er geen aanspraak op maakten.

 De afschaffing van de censuur in 1791 was twee jaar later al weer afgeschaft toen de Nationale Conventie de doodstraf invoerde voor degenen die in hun geschriften de terugkeer van de monarchie bepleitten of anderszins probeerden de “volkssoevereiniteit” te ondermijnen. Zo’n zeventig journalisten en schrijvers werden op grond van deze bepaling geëxecuteerd.

De roman van mevrouw Grandmaison Van-Esbecq nu trok de aandacht van de politie die hem als “gevaarlijk” kwalificeerde en her en der in beslag nam; maar de schrijfster bracht het er gelukkig levend vanaf en publiceerde in 1814, na de restauratie van de Bourbons, een herdruk van haar eersteling, ongetwijfeld met een gevoel van triomf. Haar laatste boek, Les Légataires d’Ayrshire, ou la Famille Pringle, een vertaling uit het Engels van John Galt, dateert van 1822.

Van de roman in twee delen waar het ons om te doen is, zijn mij slechts drie exemplaren bekend. Het eerste, waarvan ik fotokopieën bestelde, bevindt zich in de Bibliothèque Nationale te Parijs. De titelpagina vermeldt dat het boek in 1809 verscheen in eigen beheer. Het tweede exemplaar wordt gekoesterd door Raimondo Biffi in Rome. Het is vrijwel identiek aan het eerste; het bevat enkel een toegevoegd lijstje met errata, terwijl op de titelpagina drie uitgeversnamen staan: die van de auteur, van de heer Debray en van mevrouw Lavernet.

Het jaartal is 1810. Dit is geen exemplaar van de tweede druk - een dergelijk bewijs van commercieel succes zou prominent zijn aangegeven -, maar van wat een “titel-uitgave” genoemd wordt: het restant van een oplage, voorzien van een nieuwe titelpagina. Het derde exemplaar, eveneens uit 1810, is raadpleegbaar in de Biblioteca Communale te Portoferraio op Elba.

Tedere vriendschap

Antoine et Camile, ou la Sympathie is een sentimentele roman. In haar voorwoord spreekt mevrouw Grandmaison Van-Esbecq de hoop uit dat “de gevoelige lezers” haar boek met hun tranen zullen besproeien. De lotgevallen van het weeskind Camile de Blancheville en van Antoine de Servinne, wiens ouders zich over eerstgenoemde ontfermen, zijn inderdaad in hoge mate ontroerend.

Als baby’s worden ze beiden door Sophie, Antoine’s moeder, gezoogd. Ze slapen samen in één wieg en worden door een innige vriendschap verbonden. Als Antoine - minder fijnbesnaard dan Camile - perziken gapt van een abbé, neemt Camile de schuld op zich om zijn makker voor een pak slaag te behoeden. Hij kwijnt weg wanneer Antoine naar kostschool gestuurd wordt, en de jongens, “te zwak om de heftigheid van hun emoties te weerstaan,” vallen flauw in elkaars armen als ze worden herenigd. Nadien bezoeken ze hetzelfde internaat, waar hun hechte band een docent voor vraagtekens plaatst.

“Het is hen onmogelijk vrijwillig een uur lang van elkaar gescheiden te zijn. Voor hun morele en fysieke welbevinden is het onontbeerlijk dat ze elkaar voortdurend zien om hun gedachten te delen en dezelfde lucht in te ademen. [...] Het fenomeen van deze verbazingwekkende sympathie kan door naturalisten misschien moeilijk worden verklaard, maar zij bestaat en ik geloof dat zij tussen de twee vrienden onverbrekelijk is.”

Als zoon van een markies zal Camile bij het bereiken van de meerderjarigheid het fortuin van zijn ouders erven. Met het oog op een toekomstig huwelijk moet hij daarom met zijn pleegvader een reis naar Parijs maken om daar geïntroduceerd te worden in de hoogste kringen.

Antoine spreekt zijn vermoeden uit dat zijn weg en die van Camile daardoor uiteen zullen gaan. Camile is diep geschokt:

“‘Antoine, nooit eerder, tot op dit ogenblik, heb je me zoiets wreeds, zoiets hardvochtigs gezegd! Oh! ongetwijfeld ben ik in jouw ogen en in die van je ouders niets meer dan een vreemdeling, een weeskind dat hun vriendschap niet waardig is.’
Terwijl hij deze woorden spreekt, verwijdert de al te gevoelige erfgenaam zich. Hij leunt tegen een van de bomen in het kreupelhout en slaat zijn handen voor zijn gezicht. Verstikt door verdriet voelt hij spoedig een vreselijke benauwdheid... Antoine rent naar hem toe, maakt zijn das los, opent zijn jas, doet wat hij kan om zijn ademhaling te vergemakkelijken...

‘Laat me,’ zegt Camile tegen hem, ‘laat me, ik stik... ik sterf... ik kan niet huilen...’
‘Oh! vergeef me, ik smeek het je op mijn knieën!... Vergeef me, in naam van onze tedere vriendschap... Ik had niet de bedoeling je te kwetsen...’
Antoine snikte dermate bitter en drukte zijn vriend zó stevig aan zijn borst, dat een stroom van tranen Camile uiteindelijk opluchting bracht.
‘Antoine, ik wil dat je me openhartig antwoordt, zou je gelukkig kunnen leven zonder mij?’
‘Oh! nee, nee, nooit!’ [...]

De twee broers stortten zich in elkaars armen...
‘Ik ben voor eeuwig de jouwe, Camile!’
‘Ik wil je niet overleven, Antoine!’”


Als Camile zich in de hoofdstad ophoudt, wordt Antoine’s gezondheid zwaar ondermijnd: “Antoine, gescheiden van zijn wederhelft, dwaalt eenzaam door het bos... ’s Nachts blijft hij verstoken van slaap en overdag eet hij nauwelijks genoeg om op de been te blijven. Zijn huid is bleek en lijkkleurig, zijn ogen zijn dof, hij sleept zich wankelend voort. Antoine is slechts een klaagzieke schaduw, op zoek naar sporen van zijn vriend...” (De cursivering is van mij, net als die in de citaten die volgen.)


‘Nooit iets anders dan vriendschap’

Sophie de Servinne vreest voor het leven van haar zoon en schrijft aan haar man in Parijs dat de jongens zo spoedig mogelijk moeten worden herenigd: “Kom terug om Antoine te redden, geef hem zijn broer weer, en laat ons hen nooit, nooit meer van elkaar scheiden, aangezien ze door een hogere macht naar elkaar toe worden getrokken.” Met Camile ging het intussen al even beroerd, bericht diens reisgezel: “O mijn Sophie! Wat vermogen alle voorzichtige voorzorgsmaatregelen, alle berekeningen van het verstand tegen de grillen van de natuur?”

Thuisgekomen vertelt Camile niet te zijn geïmponeerd door de meisjes met wie hij kennis maakte in Parijs. Hij vond ze gekunsteld en niet echt mooi. Maar hij begeert dan ook, zegt hij, “geen enkele vrouw.”

De jongens dienen in hetzelfde dragonderregiment. Hun kapitein veroordeelt Antoine op verdenking van een disciplinair vergrijp tot drie maanden kerkerstraf. Camile vraagt en krijgt toestemming om de cel van zijn onschuldige makker te delen; in elkaars armen vergieten ze daar de nodige tranen, dit tot ergernis van Blanche de St.-Elme, die verliefd is op Camile: “‘Hij haast zich om de ketens van zijn vriend te delen,’ dacht de beminnelijke juffrouw met enige wrevel, ‘hij heeft zeker geen behoefte aan andere boeien, en zijn hart, ontoegankelijk voor de liefde, zal nooit iets anders kennen dan vriendschap...’ De hele dag voelde Blanche zich verdrietig en ’s nachts droomde ze van Camile.

Gekleed in een lang rouwgewaad liep ze naar de huwelijkstempel; twee kinderen, mooi als Cupidootjes, begeleidden haar. Camile stond aan haar zijde aan de voet van het altaar. Reeds had ze de gelofte afgelegd die haar met hem verbond, als plotseling de tempel ineen stort en aan haar blik wordt onttrokken; de prachtige vloertegels waarop zij is neergeknield verzinken onder haar bevende knieën, een kou als van de dood bevangt haar hart; Blanche is alleen achtergebleven op het marmer van een tombe!...”
Of dromen bedrog zijn, zal nog blijken.

Hoewel Blanche het enige meisje is voor wie Camile belangstelling kan opbrengen en hoewel hij “verbaasd” is dat haar schoonheid hem iets doet, ziet hij af van een huwelijk met haar. Hij wil haar koppelen aan Antoine, omdat diens financiële situatie door een verbintenis met Blanche aanzienlijk zal worden verbeterd. “Ik ontken niet,” zegt hij tegen Antoine, “dat ze de enige vrouw is die me charmeerde, [...] maar zonder het gevoel te overtreffen dat mij aan jou smeedt... De lieftallige echtgenote van mijn broeder zal mijn zuster zijn, mijn vriendin; elke andere band tussen haar en mij is onmogelijk.” De moeder van Blanche hecht haar goedkeuring aan het project en Blanche, naar wier mening niet wordt gevraagd, trouwt met tegenzin met Antoine.


Een ‘vreselijk en luguber geheim’

Het huwelijk is geen succes. Antoine raakt verstrikt in de netten van de perfide Adelphine, een weduwe bij wie hij meer tijd doorbrengt dan welvoeglijk is. De arme Blanche vindt tijdens zijn afwezigheid steun bij haar schoonouders en bij Camile. Op zekere dag gebeurt er onder het ontbijt iets zeer eigenaardigs. “Camile, mat en neerslachtig, at in het geheel niet en luisterde nauwelijks naar wat er gezegd werd. Plotseling staat hij op, slaakt een doordringende kreet en, zich haastig enkele passen van tafel verwijderend, strekt hij zijn handen uit naar het visioen dat hem angst aanjaagt.
‘Antoine! Antoine! oh mijn vriend!’
De ongelukkige, ten prooi aan vreselijke stuiptrekkingen, valt ten slotte flauw in de armen van de dames en van Augustine [een bediende] die zich haasten om hem te hulp te schieten.”

Op hetzelfde moment, zo verneemt men nadien, werd Antoine in een duel dodelijk verwond door een andere minnaar van Adelphine. Het is, om met Drs. P. te spreken, bijna occult.
 
Blanche houdt onverminderd van Camile en is verheugd wanneer hij na verloop van tijd belooft alsnog haar man te worden; maar de pastoor die het huwelijk zal inzegenen, heeft zo zijn bedenkingen. Want in een afgesloten vertrek ontdekt hij bij toeval een “vreselijk en luguber geheim,” een schilderij dat Camile had laten maken, waarop hij (Camile) en Antoine zijn afgebeeld - morsdood, uitgestrekt op een grafzerk, “elkaar innig omhelzend.” Die morbiditeit blijkt ook uit Camile’s veelvuldige en langdurige bezoekjes aan wat hij “de tempel der droefenis” heeft genoemd, het in zijn tuin geplaatste mausoleum waar Antoine ligt begraven. Blanche moet leren leven met het feit dat ze opnieuw een rivaal heeft; een dode, dit keer.
 
De dag van de bruiloft is daar. Na de kerkelijke plechtigheid komen de gasten bijeen in de eetzaal. De bruidegom trekt zich terug en blijft weg. Men wordt ongerust en gaat naar hem op zoek. Als de klok in “de tempel der droefenis” zes uur slaat (het tijdstip waarop Antoine zijn laatste adem uitblies), besluit men daar een kijkje te nemen. Maar de deur is op slot. Een bediende die stiekem een duplicaat-sleutel had vervaardigd, brengt uitkomst. Het gezelschap treedt binnen en vindt op de tombe het ontzielde lichaam van de markies: “Camile, reeds koud, roerloos als het marmer waarop hij is gelegen, had voor altijd opgehouden Antoine te bewenen!”


Een ongelukkig voorval

Zo eindigt de roman even abrupt als melodramatisch. In veel opzichten is hij een typisch product van het sentimentele genre dat in Europa rond 1760 in zwang was gekomen en een halve eeuw later nog springlevend was. De hypersensitiviteit van de personages van Rousseau, mevrouw Riccoboni, de jonge Goethe, Johann Martin Miller en onze eigen Rhijnvis Feith, om slechts enkele schrijvers te noemen, vinden we terug bij de personages van mevrouw Grandmaison Van-Esbecq, in het bijzonder bij Camile de Blancheville. Diens bereidheid corrigerende tikken te ontvangen die Antoine toekomen, doet denken aan Schiller’s tragedie Don Carlos, waarvan de protagonist als prinsje een pak slaag incasseerde dat zijn boezemvriend, de markies van Posa, door al te ruig balspel verdiend had.

Camile’s necrofiele gedragingen kende de lezer al uit de larmoyante Épreuves du sentiment van Baculard d’Arnaud; de door mevrouw Grandmaison Van-Esbecq toegepaste techniek om de impact van bepaalde scènes te versterken door over te schakelen van de onvoltooid verleden tijd naar de onvoltooid tegenwoordige tijd was een beproefd procédé, evenals het scheutig gebruik van uitroep- en beletseltekens. Maar in één opzicht was haar boek radicaal anders dan andere.
 
De Mercure de France kwam met een welwillende recensie waarin “de aangename en vloeiende stijl” en de onberispelijke moraal van het verhaal werden geprezen. “De schildering van een zachte en zuivere vriendschap” sprak ongetwijfeld diegenen aan “die nog in de vriendschap geloven.” Maar de criticus betwijfelde of de sympathie die de hoofdpersonen verbond - een gevoel dat hij nadrukkelijk onderscheidde van liefde - “interessant genoeg” was om als thema te dienen van een roman in meerdere delen. Hij meende van niet en vond het boek dus een beetje eentonig.

Een oordeel dat homoseksuelen met een romantische inborst zeker niet zullen hebben gedeeld! We mogen gerust aannemen dat de avonturen van Antoine en Camile, “als engelen zo mooi,” op hen een diepe indruk maakten. Vooral met de figuur van Camile moeten zij zich hebben geïdentificeerd, de melancholieke markies die, in tegenstelling tot Antoine, met geen enkel meisje het bed deelt en op de dag van zijn bruiloft, nog vóór de huwelijksnacht, sterft op het graf van zijn vriend; een held die niet weent om een vrouw, maar om een man; een held die in feite weigert zich te kwijten van de taak die de hetero-maatschappij hem oplegt en zijn toevlucht neemt tot een onconventionele Liebestod. De schrijfster maakt geen melding van zelfmoord (de weg die Goethe’s Werther had bewandeld); Camile sterft aan een gebroken hart. Ik ken in de literatuur uit die tijd geen ander voorbeeld van een hoofdpersoon die zó opgaat in, en ten onder gaat aan, zijn gevoelens voor iemand van zijn eigen geslacht.

Mevrouw Grandmaison Van-Esbecq refereerde in haar voorwoord aan “een ongelukkig voorval” waarover de kranten enkele jaren voor de Revolutie hadden bericht. Het betrof “twee obscure mannen die van jongs af waren gelieerd door een buitengewone sympathie.” Op hun tragisch lot was haar roman gebaseerd. Om haar boek nog boeiender te maken, had ze haar personages voorzien van blauw bloed.
 
Deze informatie is rijkelijk vaag. Maar Raimondo Biffi liet me weten dat de bron van Antoine et Camile is getraceerd in het zesde nummer, februari 1776, van het Journal historique et politique de Genève. Hierin stond een artikel, herdrukt in verschillende andere bladen, over twee onderofficieren uit Brest die, “verbonden door een zeer nauwe vriendschap,” op de twaalfde van die maand de stad hadden verlaten en enkele kilometers verderop zich een kogel door het hoofd hadden gejaagd. In een afscheidsbrief hadden ze benadrukt dat hun zelfmoord niet was ingegeven door de wijze waarop ze door hun superieuren waren behandeld. “Het schijnt dat verwijten waarmee hun families hun hadden overstelpt wegens jeugdige buitensporigheden hen tot overmaat van wanhoop hadden gebracht; want alvorens zich van het leven te beroven, hadden zij hun vaders en moeders brieven gestuurd waarin zij zich over hun strengheid bitter beklaagden.”

Er werden tweehonderd kaartjes gevonden waarop de namen van het tweetal stonden gedrukt, met daartussen een handgeschreven mededeling die duidelijk maakte dat hun gezamenlijke exit geen bevlieging was geweest, maar een weloverwogen besluit:

Waren zij minnaars? Dat mevrouw Grandmaison Van-Esbecq zich deze affaire meer dan dertig jaar later nog herinnerde en er een roman aan wijdde, is intrigerend en roept de vraag op of ze meer wist over de toedracht dan kan worden opgemaakt uit wat de courant ons leert. Zou het haar hebben verbaasd te vernemen dat er lezers zijn die in haar werk een homo-erotische toon bespeuren? Lag het misschien zelfs in haar bedoeling in haar boek een personage ten tonele te voeren - Camile - wiens “neigingen” (om een toen gangbare eufemistische term te gebruiken) verschilden van die van anderen? Dit geheim nam ze mee in haar graf.

En waar dát ligt, mag Joost weten.



 









Rubrieken:


















Meer uit Historie & Politiek
Meer uit nummer 294
Meer van Caspar Wintermans





Cuts and curls


Male Hairstyling by appointment

meer info |visit


t Bolke


Gay heart of the east

meer info |visit















bottom image




Entire © & ® 1995/2017 Gay International Press & Stichting G Media, Amsterdam. All rights reserved.
Gay News ® is een geregistreerde merknaam. artikelen Gay News; duplicatie niet toegestaan. Opname uitsluitend na schriftelijke toestemming van uitgever, met verplichte bronvermelding gaynews.nl. Door derden overgenomen artikelen worden in rekening gebracht, en zo nodig geincasseerd. Gay News ISSN: 2214-7640, ISBN 8717953072009. Gay News op Wikipedia.
Volg Gay News:
Twitter Issuu
RSS RSS Editors
zelfstandige Escortboys

CMI
Neem contact op
Abonneren
Adverteren






© 1995/2017 Gay News ®, GIP/ St. G Media