Back to Top
Dinsdag 26 Sep
85991 users - nu online: 1567 people
85991 users - nu online: 1567 people login
VAN ONZE EDITORS
_PRINTER  
Antoine en Camille, De herenliefde in Napoleon’s tijd

_BY Caspar Wintermans in Historie & Politiek , 08 januari 2016


Een keizer laat je niet wachten, zeker niet als het gaat om de eerste uit het huis Bonaparte. Diens aartskanselier verontschuldigde zich dus onderdanig toen hij op zekere dag te laat arriveerde in de zaal waar de Raad van State bijeenkwam. “Mijn excuses, Sire,” zei hij, “ik was bij een dame.” Hij loog, en Napoleon wist dat. “Zeg hem de volgende keer,” beet hij de laatkomer toe, “pak je wandelstok en hoed en ga.”

Een toespeling op de homoseksualiteit van zijn ondergeschikte die aan de overige raadsleden een lachsalvo zal hebben ontlokt. Jean-Régis de Cambacérès, hertog van Parma, was dergelijke plagerijen gewend en schijnt zich er niet ál te zeer aan te hebben geërgerd. Kon hij niet trots zijn op wat hij bereikt had? Hij was de tweede man van het keizerrijk, die tijdens de afwezigheid van het staatshoofd - en Napoleon verbleef vaak over de grenzen om oorlog te voeren - de lakens uitdeelde. Zijn bewondering voor en trouw aan de keizer waren ongeveinsd en duurzaam. Cambacérès vergat nooit zijn kennismaking in 1794 met de haveloze generaal Bonaparte die hem thuis had bezocht.

Als zovele anderen herinnerde hij zich speciaal diens “charmante mond, vooral wanneer er een goedwillende of spottende glimlach om speelde. En dan zijn ogen... oh, wat een ogen, die van een leeuw, een adelaar... Ik was direct gegrepen en onder zijn bekoring vanaf het eerste woord dat hij sprak.” Napoleon van zijn kant apprecieerde de briljante kwaliteiten van de hertog, een van de grootste rechtsgeleerden van zijn generatie.

Na de staatsgreep van Brumaire (9 november 1799) benoemde hij hem tot mede-consul, en na zijn verheffing tot keizer bekleedde hij hem met de waardigheid van aartskanselier, een post vergelijkbaar met die van minister-president. Cambacérès had een werkzaam aandeel in de totstandkoming van het Burgerlijk Wetboek, de Code Napoléon; werd in 1813 voorzitter van de Regentschapsraad en fungeerde tijdens de Honderd Dagen - de lente van 1815, toen Napoleon, teruggekeerd uit zijn verbanningsoord Elba, een vruchteloze poging deed zijn troon te heroveren - als minister van Justitie en voorzitter van de Senaat.
 
Een imposante carrière! Zou het een notoire homo onder het ancien régime vergund zijn geweest zó hoog te klimmen op de maatschappelijke ladder? Waarschijnlijk niet. Lodewijk XVI was een vroom man (toen de aartsbisschop van Parijs kwam te overlijden, stipuleerde hij dat diens opvolger tenminste in God moest geloven) die een eind had gemaakt aan de maîtressenheerschappij van zijn voorgangers; een monogame familie-vader die geen empathie kon opbrengen voor “sodemieters” van wie er nog een enkeling tijdens zijn regering op de brandstapel belandde.


Schandvlek op onze tijd

Vergeelde dossiers in Parijse archieven onthullen hoe de politie in de jaren vóór de revolutie omging met mannen die van mannen hielden. De in 1783 gestorven commissaris Pierre-Louis Foucault noteerde in een register, waarin hij zijn vrienden een blik gunde, de namen van de “pederasten” die in de hoofdstad met de autoriteiten in aanraking waren gekomen; het totale aantal homo’s aldaar werd door hem geschat op 40.000. Uit zijn administratie blijkt dat er ook toen al sprake was van een duidelijke subcultuur met favoriete cruise-plekken: de boulevards, de Tuilerieën, het Palais-Royal en de Champs-Élysées. Sommige kroegen dreven op homoseksuele bezoekers; in “La Lune éclatante” zouden zelfs “orgiën” worden georganiseerd.

Vrijpartijtjes achter gesloten deuren werden in de regel getolereerd - de meeste kwamen sowieso niet ter kennis van de politie -, maar wie in de bosjes van een plantsoen werd betrapt, had een probleem waaruit de inspecteurs vaak een slaatje wisten te slaan als een van de betrokkenen beschikte over een goedgevulde beurs; want terwijl hoerenjongens voor enkele maanden naar de gevangenis werden gestuurd, kregen hun klanten een hoge boete die niet naar de staatskas vloeide, maar door de dienders als aanvulling op het eigen salaris beschouwd werd. Niemand waagde het hierover te klagen.

In een tijd dat homo’s het moesten stellen zonder Facebook en Grindr waren ze het meest kwetsbaar als ze avances maakten op straten en pleinen. Sommigen liepen meer dan eens tegen de lamp: een winkelier in bandjes en garen die naar het bureau werd gebracht omdat hij in een biljartzaal zijn hand in de broek van een pannendekker had gestoken, was zes weken tevoren ook al gearresteerd toen hij met hetzelfde gebaar zijn belangstelling had getoond voor een kappers-assistent die op de Place de Grève een publieke executie bijwoonde.

Dat déze knul niets van die billenknijper moest hebben, is in zoverre opmerkelijk omdat er zich volgens de statistieken heel wat kappers onder de homoseksuelen bevonden. Ook pruikenmakers, kamerdienaars en jockeys bleken ruimschoots vertegenwoordigd. Ze waren impopulair. Foucault noteerde dat twee “pederasten,” van wie er een als zodanig aan zijn kostuum herkenbaar zou zijn, door “het volk” werden achtervolgd en uitgescholden op de Champs-Élysées, een behandeling die ook de zeventienjarige Joseph Prainguet ten deel viel van wie men eveneens vond dat zijn kleren “onfatsoenlijk” en “te opvallend” waren.

Dergelijke uitingen van homofobie waren niet voorbehouden aan de lagere klassen. In de kringen waarin zich graaf Alexandre de Tilly bewoog, werd onbehagen gevoeld over de veronderstelde toename, “zelfs in de provincie,” van lesbische hartstocht, “een schandvlek op onze tijd.” Tilly, een voormalige page van Marie-Antoinette en een fameus rokkenjager, kon zelf alleen maar lachen om dames met een voorkeur voor dames. Morele verontwaardiging ten aanzien van homoseks valt trouwens evenmin te bespeuren in de processen-verbaal van Foucault. Hij was een nuchtere ambtenaar die nergens van opkeek.

Maar soms werd hij geconfronteerd met mannen die het waagden vraagtekens te plaatsen bij de rechtmatigheid van hun aanhouding. Een zekere Beaufils, aan de tand gevoeld over zijn opzichtige uitdossing, stelde dat eenieder zich kleedt zoals het hem goeddunkt, en de heer Souchet verklaarde dat hij zich, net als alle anderen, amuseerde waar en wanneer zich de gelegenheid voordeed. De commissaris kreeg ook wel eens te horen dat men geen kwaad had bedreven noch in de zin had gehad. Dit duidt op een mate van zelfbewustzijn; ook “sodemieters” maakten aanspraak op zelfbeschikking en privacy.


Decriminalisering maar geen respect

Aanhangers van de Verlichting vonden dat verlangen gerechtvaardigd. De Italiaan Cesare Beccaria bepleitte in zijn Verhandeling over de misdaden en straffen uit 1764 dat praktiserende homo’s dienden te worden vrijgesteld van vervolging. Zijn opvatting, waarvan men in Frankrijk had kennisgenomen door een in 1766 gepubliceerde vertaling (met een voorwoord van Voltaire), beïnvloedde zeer zeker degenen die, na het uitbreken van de Revolutie, een nieuw Wetboek van Strafrecht samenstelden, dat in 1791 door de Constituerende Nationale Vergadering werd geratificeerd.

De hierin opgenomen decriminalisering van homoseksuele contacten in de privé-sfeer was overigens niet te danken aan Cambacérès, want hij bevond zich destijds nog in de marge van de politiek; maar de Code Napoléon droeg wél, zoals gezegd, zijn stempel en ook hierin werd aan homo’s een speelruimte toegekend die ze in de rest van Europa nog lang moesten ontberen.
   
Dat betekende natuurlijk niet dat homo’s in Frankrijk sinds de jaren negentig van de achttiende eeuw voortaan alom met respect werden bejegend. Toen Cambacérès na de val van Robespierre optrad als voorzitter van de Raad van Vijfhonderd, werd hij in een anoniem pamflet gekapitteld om zijn vrijgezellenstatus - waarvan de oorzaak bekend was: “Een dergelijk isolement is ongepast voor een lid van een wetgevend lichaam, omdat het een principieel egoïsme impliceert dat ons blind maakt voor het ongeluk van onze medemens. Treedt in het huwelijk, Cambacérès!”

Deze kritiek was nog enigszins bedekt; de spotprenten die onder meer door royalistische bannelingen in Engeland werden gemaakt en clandestien in Frankrijk circuleerden, staken open en bloot de draak met de seksuele oriëntatie van “de aartsidioot” die bijvoorbeeld werd weergegeven in een theaterloge waar hij zijn enthousiasme voor een knappe toneelspeler manifesteert.




Nog brutaler is een stripverhaaltje waarin twee dames van een schildwacht krijgen te horen dat ze Zijne Excellentie voorlopig niet kunnen spreken: hij geeft een particuliere audiëntie. Wat er intussen in het kabinet van Cambacérès gebeurt, zien we op het volgende plaatje: hij maakt een nummertje met een militair. Het genoegen is duidelijk wederzijds.
   


Napoleon gelastte Cambacérès zich in het openbaar te vertonen met een “excuus-Truus,” en de keus viel op een actrice die zich graag kleedde als man, maar dat vanzelfsprekend niet deed wanneer ze met de dignitaris ten paleize verscheen. Kort na het begin van deze zogenaamde affaire bleek dat de vrouw “in gezegende omstandigheden” verkeerde. “Ah! Monseigneur!” riep een hoveling uit toen hij Cambacérès tegenkwam, “deze zwangerschap strekt U tot eer!” De hertog antwoordde ijskoud en gevat: “Feliciteert U de vader, alstublieft. Wat mij betreft, je n’ai connu mademoiselle Guizot que postérieurement.”
 
Het is plezierig te weten dat Cambacérès een discrete minnaar en vriend vond in Olivier Lavollée, die sinds 1795 als secretaris voor hem werkte. Hij was aanzienlijk jonger, beeldschoon en trouw; toen Lodewijk XVIII na de Honderd Dagen Cambacérès in ballingschap zond, vergezelde Lavollée hem naar Brussel. Lang hoefden ze daar niet te blijven, want in 1818 werd Cambacérès begenadigd. Hij sleet zijn levensavond in Parijs en werd in 1824 met toeters en bellen begraven op Père Lachaise.


Schaamteloze openheid
 
Daar rust ook het gebeente van een andere Bonapartist wiens “Griekse beginselen” de wenkbrauwen deden fronsen, Joseph Fiévée. Hij was actief als journalist en schrijver - zijn roman La Dot de Suzette verscheen in 1798 en werd ook in het Nederlands vertaald - alvorens een zetel in de Raad van State te krijgen en in 1813, toen het keizerrijk al in zijn voegen kraakte, benoemd te worden tot prefect van Nevers. Tijdens officiële recepties stond er geen echtgenote aan zijn zijde om de gasten te begroeten, maar zijn partner Théodore Leclerq, een rentenier doe zich eveneens toelegde op de literatuur.

Zelfs Talleyrand, bepaald niet de meest preutse van Napoleon’s medewerkers, was gechoqueerd door “de schaamteloosheid” van dit koppel. De minister van Binnenlandse Zaken schreef aan Fiévée dat hij zich zorgen maakte over de “geruchten” die hem over diens leefwijze bereikten, waarop de prefect hem op zeer besliste toon antwoordde dat hij babbelkousen hartgrondig verachtte en aan lasterpraatjes geen enkele aandacht schonk. Dergelijk lef werd door het reactionaire bewind van Lodewijk XVIII niet gewaardeerd. De val van Napoleon betekende dus het einde van Fiévée’s loopbaan in overheidsdienst.
 
Baron Étienne-Léon de Lamothe-Langon ontving na de restauratie van de Bourbons eveneens een ontslagbrief. Beroofd van zijn inkomsten als onderprefect van Carcassonne zag hij zich genoodzaakt te leven van zijn pen. Jaar in jaar uit zette hij zich tussen drie en vier uur ’s ochtends aan zijn bureau en produceerde hij het ene boek na het andere.

Zijn succes was groot, ook in het buitenland. Zo las men in onze contreien vertalingen van L’Hermite de la tombe mystérieuse, ou le Fantôme du vieux château (1816) en van Les Mystères de la Tour Saint-Jean, ou les Chevaliers du Temple (1818), door hem gepresenteerd als verfranste versies van postuum werk van respectievelijk Ann Radcliffe en Matthew Gregory Lewis, de beroemdste exponenten van de immens populaire Gothic Novel.

In werkelijkheid waren ze geschreven door Lamothe-Langon zélf, die aan het niveau van zijn Britse collega’s helaas niet kon tippen. Het lijkt dus onwaarschijnlijk dat de doorsnee-lezers het bedrog niet opmerkten, maar zelfs geleerden van naam beschouwden zijn Histoire de l’Inquisition en France uit 1829 als een serieus geschiedkundig werk - totdat in de vorige eeuw werd ontdekt dat de “geheime archieven” waartoe de auteur naar eigen zeggen toegang had verkregen met speciale toestemming van de aartsbisschop van Toulouse een puur verzinsel waren.


‘Alsof hij zijn maîtresse was’

Twijfels aan de betrouwbaarheid van de Mémoires tirés des archives de la police de Paris die Lamothe-Langon in 1838 onder een pseudoniem publiceerde, lijken daarom gerechtvaardigd; maar recente naspeuringen van Jean-Claude Féray in deze papierwinkel brachten over onze baron een verrassend feit aan het licht dat aan de aandacht van diens biograaf, Richard Switzer, ontsnapt was. Laatstgenoemde citeerde uitvoerig uit het dagboek dat de jonge Étienne-Léon in 1809 had bijgehouden. Hierin struikel je over de namen van meisjes met wie hij relaties onderhield. Hij kreeg zóveel bezoek dat zijn bediende de grootste moeite had om te voorkomen dat de amoureuze joffers elkaar op de trap of in de vestibule ontmoetten.

In 1814 was de schrijver getrouwd met Élise de Gourc die hem twee kinderen schonk en zich van hem liet scheiden in 1836 toen ze hem aantrof in de armen van een vriendin. Een en ander volstaat voor een certificaat van seksueel conformisme, zou je denken. Féray vond niettemin vermeldingen van de baron in enkele registers uit 1852 waarin de politie de namen van “pederasten” noteerde. Over Lamothe-Langon wordt gezegd dat hij was verslingerd aan Victor-Huguet Doré, een employé van een assurantie-kantoor die hij vertroetelde “alsof hij zijn maîtresse was.” Féray vraagt zich daarom af of Lamothe-Langon in zijn dagboek authentieke belevenissen met meisjes beschreef dan wel uit veiligheidsoverwegingen vrouwelijke namen gaf aan jongens met wie hij de liefde bedreef.

Aantekeningen over diverse huwelijksplannen ondermijnen die theorie, althans gedeeltelijk; maar de wetenschap dat Lamothe-Langon - al dan niet uitsluitend - op mannen viel, werpt misschien een ander licht op onderstaande passage uit een van zijn romans: “Hij voelde hoe rampzalig zijn situatie was; hij zag zichzelf als een kind dat door de gehele natuur was verlaten, door zijn ouders verstoten, gedoemd te leven en te sterven zonder te hebben genoten van het hem toekomende deel van het geluk van huiselijke intimiteit.”

Beschrijft een homoseksueel hier zijn eigen frustraties? En waarom werd zijn privé-secretaris Auguste door de heer de Rochetin beledigd en tot bloedens toe geslagen, nota bene in het huis van de baron? Vermoedde hij (Rochetin) dat deze niet al te kranige knaap ook seksuele diensten verleende aan zijn werkgever? Switzer, die een brief van een onthutste Lamothe-Langon over dit incident citeerde, kwam niet op het idee, maar het zou zomaar eens kunnen.


Anders dan anderen
   
Het einde van de auteur was uitermate treurig. Overwerkt, reumatisch en verslaafd aan opium stierf hij in bittere armoede in 1864. Zijn oeuvre - waarin zich volgens Switzer dat van Edgar Allan Poe en Honoré de Balzac aftekent - is in vergetelheid geraakt, dit in tegenstelling tot dat van een andere homoseksuele tijdgenoot, markies Astolphe de Custine. Zelfs de revolutionairen vonden hem te jong om te worden onthoofd, een straf waar zijn vader en grootvader (bijgenaamd “generaal Snor”) niet onderuit kwamen. “Naar het schavot! Naar het schavot!” brulde de menigte toen opa in de kar klauterde die hem naar de guillotine zou rijden. “We gaan al, we gaan al,” sprak hij stoïcijns...
 
Dat Astolphe anders was dan anderen, dat hij gebukt ging onder een enorme psychische last, bleek uit zijn sterk wisselende gemoedsstemmingen en zijn aanvallen van migraine. Een arts die met zijn moeder bevriend was en in 1812 met de familie een reis naar Italië maakte, kreeg door hoe de vork in de steel zat. In een herberg werd Astolphe gevloerd door de schoonheid en “de antieke eenvoud” van de zoon van de eigenaar. ’s Nachts deed hij geen oog dicht, de volgende dag stapte hij niet in de koets, maar liep er achteraan, onophoudelijk tranen vergietend. Zijn emoties vonden voorts een uitlaatklep in het schrijven van liefdesgedichten. Prulversjes, oordeelde de dokter, die er bij Astolphe op aandrong koude baden te nemen.

Deze bekoelden natuurlijk niet zijn passie voor zijn eigen geslacht. Vijf jaar later was hij zover dat hij zich, ondanks zijn religieuze scrupules, geregeld heimelijk overgaf aan homoseksuele contacten, waarbij zijn bedienden soms fungeerden als tussenpersoon. Daarvan waren hertogin Claire de Duras en haar dochter Clara niet op de hoogte toen Astolphe zich met Clara verloofde. Maar de bruiloft werd door de markies in 1818 zonder opgaaf van reden afgeblazen. Claire peinsde zich suf over Astolphe’s besluit en schreef er een fijnzinnige roman over die niet voor publicatie bestemd was; ze las eruit voor in intieme kring, zoals dat vaak gebeurde in die dagen. Olivier, ou le Secret - in 1971 alsnog in druk verschenen - behandelde een thema dat volgens de schrijfster eigenlijk niet behandeld mag worden: ze liet doorschemeren dat haar protagonist afziet van een huwelijk omdat hij impotent is. Dat gold ook, dacht ze, voor Custine.


In de grond geboord en onteerd

Ze had het mis, zoals bleek in 1821 toen hij trouwde met Léontine Saint-Simon de Courtomer en bij haar een zoontje verwekte. Typisch was wel dat de jonge vader direct na de bevalling naar Engeland reisde in het gezelschap van Edward de Sainte-Barbe, een Engelsman met een Franse achternaam die hij had ontmoet in het Parijse homoseksuele milieu waar de beschaafde, maar berooide Edward had geleefd van het geld dat gelijkgestemden hem hadden toegestopt, wellicht in ruil voor een tegenprestatie. Léontine moest gedogen dat hij bij haar en haar man zijn intrek nam; het zal haar niet licht zijn gevallen. Na haar dood in 1823 werd Astolphe opnieuw de ideale schoonzoon; menige moeder probeerde hem aan haar dochter te koppelen. Tot die traumatische achtentwintigste oktober 1824, een dag die nooit uit het geheugen van de markies kon worden gewist.

Astolphe kwam toen half naakt, bloedend en onder de blauwe plekken thuis. Hij zou de basiliek van Saint-Denis bezoeken waar Lodewijk XVIII onlangs was bijgezet, maar had ondanks de stromende regen het rijtuig al in Épinay verlaten. Daar was hij afgeranseld door een stel kerels. De vraag “Waarom?” wilde hij niet beantwoorden. De onderzoeksrechter, die de indruk kreeg dat het slachtoffer met tegenzin aangifte deed, ontving kort daarop bezoek van de daders, onderofficieren die hem vertelden dat ze Custine een lesje hadden geleerd omdat hij met een van de rekruten eens seksafspraakje gemaakt had.

Astolphe trok haastig zijn aanklacht in, maar het was al te laat. De kranten deden verslag van het voorval en met zijn reputatie was het gedaan. “In alle salons in Parijs wordt uitsluitend gesproken over die afschuwelijke geschiedenis,” aldus mevrouw de La Grange, terwijl een vriendin van haar opmerkte: “Ik heb niet eerder een dergelijke algemene woede-uitbarsting beleefd, een zó hevige verontwaardiging die met zo’n omhaal van woorden gepaard ging. De samenleving als geheel is razend alsof het een persoonlijke belediging betreft.” “Ziehier,” schreef een aristocraat, “een man die compleet in de grond is geboord en onteerd, gemarkeerd met het teken van het beest. Nooit tevoren werd een zuiverder reputatie sterker beklad.”

Dames op leeftijd gaven Astolphe graag goede raad: word monnik in een strenge orde. Emigreer. Ga in het leger en sneuvel ten snelste. Maar Custine dácht er niet aan. Nu men wist hoe het zat, kon hij net zo goed proberen er het beste van te maken. Hij trok zich met zijn minnaar terug op zijn kasteel in Normandië en verwelkomde daar in 1834 een Poolse biseksuele man, Ignace Gurowski, zodat er andermaal sprake was van een ménage à trois. Custine oogstte veel roem met zijn in 1843 gepubliceerde verslag van een reis naar Rusland, dat in de twintigste eeuw opnieuw veel lezers vond wegens de opvallende overeenkomst tussen de slavenstaat van tsaar Nicolaas I en het communistische paradijs. De kritiek op hun land viel slecht bij de Russen die achteraf betreurden dat ze Custine zo gastvrij hadden onthaald. “Men had hem de rug moeten toekeren,” gromde Alexander Toergenjev, “daar houdt hij immers van.”
 
Toen Astolphe in 1857 kwam te overlijden, zat de tweede Bonaparte op de Franse troon, Napoleon de derde; maar wij keren nu terug op onze schreden en betreden opnieuw het rijk van Napoleon de eerste.



(Wordt vervolgd)



 









Rubrieken:








In het nieuwste nummer, Gay News 314, 2017






RoB Amsterdam
Leather, Rubber, Twisted Gear











_MOREABOUT Historie & Politiek
Meer uit nummer 292
Meer van Caspar Wintermans





Bronx


Well known gay shop

meer info |visit


Man to Man


Cinema ticket valid all day
With darkroom!

meer info |visit















bottom image




Entire © & ® 1995/2017 Gay International Press & Stichting G Media, Amsterdam. All rights reserved.
Gay News ® is een geregistreerde merknaam. © artikelen Gay News; duplicatie niet toegestaan. Opname uitsluitend na schriftelijke toestemming van uitgever, met verplichte bronvermelding gaynews.nl. Door derden overgenomen artikelen worden in rekening gebracht, en zo nodig geincasseerd. Gay News ISSN: 2214-7640, ISBN 8717953072009. Gay News op Wikipedia.
Volg Gay News:
Twitter Issuu
RSS RSS Editors
zelfstandige Escortboys

CMI
Neem contact op
Abonneren
Adverteren






© 1995/2017 Gay News ®, GIP/ St. G Media