Back to Top
Donderdag 23 Nov
86024 users - nu online: 1252 people
86024 users - nu online: 1252 people login
VAN ONZE EDITORS
Printervriendelijke Pagina  
De homo-erotische inspiratie van kunstenaar Sascha Schneider


door Hans Hafkamp in Theater, Kunst & Expo , 08 juni 2014


‘Het draait om de menselijke schoonheid, dat is de schoonheid van de man’. In het voorjaar van 1908 moest de kunstenaar Sascha Schneider hals over kop Weimar, waar hij sedert 1904 als professor voor naakttekenen aan de Großherzoglich Sächsische Kunstschule was verbonden, verlaten. Hij schreef hierover in juni 1908 aan de bevriende schrijver Karl May: “De officiële beweegreden voor mijn afscheid van Weimar zult u gehoord hebben.

Ik ben echter met grote tegenzin en geheel onvrijwillig niet alleen uit Weimar maar ook geheel uit Duitsland vertrokken. U sporenzoeker zult al doorgronden wat er aan de hand is; ik heb u enige tijd geleden, toen ik u boetseerde, persoonlijk aanduidingen over mijn natuurlijke aanleg gemaakt, die heeft nu vrucht gedragen. Hoe bevalt u het woord chantage? Dat is genoeg! En u kunt zich alles indenken.”

Scheider vertrok naar Italië, waar hij zich na kortstondige verblijven in Rome en Forte dei Marmi uiteindelijk te Florence vestigde. Italië stond al eeuwen bekend als toevluchtsoord voor mannen die van mannen houden uit noordelijk Europa, die de strenge zedenwetgeving in hun land wilden ontvluchten. Al in de achttiende eeuw vertoefde de kunsthistoricus Johann Joachim Winckelmann regelmatig in het mediterrane land, waar hij in 1763 door paus Clemens XIII bij de Vaticaanse bibliotheek werd aangesteld. In april 1768 reisde Winckelmann naar Duitsland, maar door een aanval van melancholie brak hij de reis af en boekte een kamer in het Hotel Duchi d’Aosta in Triëst, waar hij kennismaakte met de voorbestrafte Francesco Arcangeli, die de kamer naast hem had.

In de daarop volgende dagen troffen beide mannen elkaar regelmatig, maar nadat Winckelmann Arcangeli enkele gouden en zilveren munten had getoond, probeerde die hem te wurgen. Toen dat niet lukte, stak hij met een mes verschillende keren op hem in, wat Winckelmann’s dood tot gevolg had.

Als kunstenaar zal Schneider zeker van deze geschiedenis op de hoogte zijn geweest. Hij heeft zich daardoor niet van een verblijf in Italië laten afhouden, want in zijn eigen tijd hadden zijn landgenoten baron Wilhelm von Gloeden in Taormina en diens neef Wilhelm Plüschow in Rome heel wat minder dramatisch als fotografen van (ondermeer) mannelijke naakten juist een zekere roem verworven. In Florence trof hij zich ook regelmatig met zijn collega Elisar von Kupffer, die in de vroege Duitse homobeweging actief was en in 1900 de bloemlezing Lieblingminne und Freundesliebe in der Weltliteratur had gepubliceerd.

Het is onduidelijk of Schneider zich met de jongste literaire productie bezighield, maar waarschijnlijk zullen beide kunstenaars zich vooral over hun schilderkunstige activiteiten hebben onderhouden. “In hun behandeling van mannelijke modellen vervolgden beiden overeenkomstige doelstellingen. Was dit voor Schneider de benadrukking van een mannelijke lichamelijkheid, voor Elisar von Kupffer was het de androgyn jeugdige vormgeving van zelfportretten,” schreef Andreas Sternweiler in 1997 in Goodbye to Berlin? 100 Jahre Schwulenbewegung.

In Italië waren bovendien niet alleen in 1889 homoseksuele handelingen uit het Wetboek van Strafrecht geschrapt, maar ook waren Italiaanse mannen niet huiverig voor seks met andere mannen. Zo berichtte de in 1893 te Rome overleden Britse homo-emancipator John Addington Symonds in zijn pas ruim negentig jaar na zijn dood voor publicatie geschikt geachte memoires dat Venetiaanse gondeliers “zo gewend” waren aan seksuele avances door reizigers “dat ze er niets bij denken om de bevlieging van kortstondige minnaars te bevredigen - binnen bepaalde grenzen.”

Ondanks dit klimaat vestigde Schneider zich niet definitief in Italië maar keerde hij na de gedwongen exil-periode van drie jaar weer naar Duitsland terug.



Het naakt is Alfa en Omega

Sascha Schneider werd op 21 september 1870 als Rudolph Karl Alexander Schneider in Sint Petersburg geboren. Zijn vader was, zoals een van de eerste artikelen over de kunstenaar omstreeks 1895 in Moderne Kunst in Holzschnitten berichtte, mede-oprichter van de Schweizer Graphische Mitteilungen en “een belangrijk kunstenaar op het gebied van grafische producten.” Na het overlijden van de vader in 1884 trok het gezin naar Dresden, waar Schneider in 1889 aan de kunstacademie werd toegelaten. In 1893 nam hij met zijn collega Richard Müller intrek in een atelier en niet lang daarna had hij zijn eerste solo-exposities.

Al vroeg in zijn loopbaan koos Schneider het naakt, en dan vooral het mannelijk naakt, als zijn hoofdonderwerp. Hij stond daarin niet alleen, want voorgangers en tijdgenoten als Ferdinand Hodler, Ludwig von Hofmann, Hans von Marées en Schneider’s mentor Max Klinger hadden het naakt ook een belangrijke plaats in hun oeuvres toebedacht. De laatstgenoemde verdedigde dit met de stelling: “De kern en het middelpunt van alle kunst blijft de mens en het menselijke lichaam. De studie en de afbeelding van het naakt zijn het A en O van elke stijl.” Schneider leerde Klinger in 1895 kennen en die introduceerde hem in de kunstwereld.

In 1900 verhuisde Schneider naar Meißen waar hij een eigen atelierwoning betrok. Hij was toen al een gerenommeerd kunstenaar, want in 1896 was in de reeks Meisterwerke der Holzschneidekunst een map met twaalf houtsneden naar ontwerpen van Schneider en een tekst door Aemil Fendler verschenen, waarvan in 1897 een tweede en een derde druk verschenen, die met zes bladen waren uitgebreid, en in 1900 een vierde. Schneider haalde ook diverse grote opdrachten binnen.

Zo creëerde hij in 1899 het fresco Der Triumph des Kreuzes im Weltgericht voor de triomfboog van de Johanneskerk in Cölln bij Meißen en het jaar daarop werkte hij aan vijf muurschilderingen voor de Gutenberghalle van het Deutsches Buchgewerbehaus te Leipzig.

In 1901 voltooide Schneider Um die Wahrheit, een enorm polyptiek-achtig werk van twaalf bij vier meter, waarvan het middelpunt wordt gevormd door een groot aantal naakte, met zwaarden en speren bewapende krijgers die op elkaar losgaan. Dit werk was uiterst populair, werd in vele galerieën en musea getoond en wekte in Düsseldorf de belangstelling van de kroonprins. Um die Wahrheit was zelfs zo bekend dat er een ansichtkaart in omloop was waarop twee jongedames en hun norse chaperonne zich geschokt-giechelend en bozig van deze groep kronkelende naakte mannenlijven afwenden.


Karl May op bezoek

Het is waarschijnlijk dat Karl May dit werk heeft gezien toen het begin 1902 werd geëxposeerd in de Kunstsalon Richter te Dresden. In ieder geval tekende Klara Plöhn, die het jaar daarop met May in het huwelijk zou treden maar al een innige omgang met de schrijver en diens eerste vrouw had, in haar dagboek op: “Sascha Schneider’s schilderij Um die Wahrheit bij Richter bekeken. Machtige geest!” Het is ook mogelijk dat May in 1903 het een jaar eerder voltooide werk Auf zum Kampf, dat soms ook de titel Phalanx der Starken draagt, heeft gezien toen het tijdens de Sächsische Kunstausstellung in Dresden werd tentoongesteld. Dit werk is qua grootte bescheidener dan Um die Wahrheit, maar nog steeds indrukwekkend. Het toont een groep opmarcherende jongere en oudere mannen met zwaarden, knotsen, speren en andere als wapen te gebruiken voorwerpen, terwijl boven hun hoofden een rode vlag wappert.

De tentoonstelling waarop dit schilderij te zien was werd op 6 mei 1903 geopend. Niet lang daarna moet May de kunstenaar in zijn atelier hebben opgezocht want op 12 juni stuurde Schneider hem een dankbriefje. Later herinnerde Schneider zich over dit bezoek: “Een goed uitziende heer kwam bij me in het atelier en stelde zich voor: Karl May. Ik had tot dat moment nog nooit van hem gehoord en keek hem vragend aan, waarop hij ‘Old Shatterhand’ toevoegde. Ik vroeg om opheldering, waarop hij het met één klap neer metselen van zijn tegenstanders beschreef. Daarop greep ik mijn halter van 1 centenaar [vijftig kilo, red.] en zei tegen hem: daarmee oefen ik dagelijks.”

Deze eerste kennismaking moet beide mannen bevallen zijn, want die was het begin van een vriendschap die tot May’s overlijden zou voortduren. De beroemde schrijver wilde de achtentwintig jaar jongere, enigszins armlastige kunstenaar echter ook onder de arm grijpen. Reeds in oktober 1903 gaf hij hem opdracht voor het schilderij Der Chodem, dat voor de ontvangstkamer van zijn villa in Radebeul bestemd was en daar nog steeds te bezichtigen valt.


‘Een indrukwekkende artistieke schat’

Al spoedig ontstonden echter grootsere plannen. Bij een hernieuwd atelierbezoek in de eerste dagen van maart 1904 suggereerde Schneider namelijk dat hij May’s boeken van nieuwe omslagillustraties zou kunnen voorzien. Klara May, die sinds een jaar met de schrijver getrouwd was, tekende daarop in haar dagboek aan: “Bij Schneider. [...] De lieve Schneider wil Karl’s boeken van andere titelprenten voorzien, zodat men Karl eindelijk leert begrijpen en die malle noemer ‘jeugdschrijver’ verloren gaat. Ik ging er meteen op in.” Ook May zelf hoefde niet lang na te denken, want op 11 maart schreef hij aan zijn uitgever Friedrich Ernst Fehsenfeld: “Sascha Scheider, de beroemde, is mijn vriend. Hij, de grootste, de begaafdste, de geweldigste onder de huidige schilders, komt bij mij thuis. Hij is de ‘Duitse Michel Angelo.’ Hij leest mij niet alleen, maar hij begrijpt me ook, en de gedachten die daarbij bij hem opkomen zijn ronduit kostelijk. [...] Boekbanden van de hand van zo’n meester heeft nog geen uitgever gehad en zal er ook geen ooit weer krijgen. Ik zie al vooruit hoe men u zal benijden. En wat een indrukwekkende, artistieke schat zou elke koper van onze boeken er, zo te zeggen, gratis bij krijgen!”

Fehsenfeld stemde toe en Schneider ging aan het werk. Hij doet May al spoedig de eerste werken toekomen. Als hij in april 1904 de illustratie voor Winnetous Himmelfahrt inlevert, schrijft hij May: “Hier is Winnetou [...]. Dat heerlijke lange haar heeft hij behouden, het zal hem in die velden [de Elysische, red.] niet schaden, hoewel het naar ons algemene begrip ook iets vrouwelijks heeft. Daarentegen verliest hij bij het omhoog zweven het teken van zijn waardigheid als indiaans opperhoofd: de adelaarsveer.”

Winnetou steeg in volle naaktheid ten hemel op, maar Schneider koos voor zijn evocatie een zijaanzicht en dat werd blijkbaar acceptabel voor de lezers van May geacht. Een paar maanden later ontstonden echter problemen toen Schneider zijn omslag voor het derde deel van Im Reiche des silberen Loewen inleverde. Helaas zijn niet alle brieven van May aan Schneider overgeleverd, maar op 2 augustus 1904 antwoordde de kunstenaar: “Waarom geeft u mij de laatste tekening terug? Past u werkelijk de kleine naakte engel niet? Dat wil er bij mij absoluut niet in, ik begrijp u wat dit betreft niet. - Volstrekt niet! - Als u er werkelijk aan vasthoudt dat ik deze onschuldige jongen verhullen moet (want iets anders is helemaal niet mogelijk: naakt is naakt!) dan wil ik het voor mijn part wel doen, maar u beneemt me daarmee wel alle begeestering voor het werk.” Een week later schreef Schneider aan May: “Naar aanleiding van uw vriendelijke brief zal ik de kleine engel geslachtloos maken; het is echter belachelijk en beneemt me al het plezier. Dat is het nu juist, waarom wendt u zich tot 3 miljoen ezels en idioten. Dat zijn de apen voor wie u de indianen- en Arabieren-May, onder een goed katholiek teken, bent. Deze mensen zien de kunstenaar noch de profeet in u, ja, juist dit schoelje zal niets meer van u willen weten zodra u uw nieuwe en indrukwekkende denkbeelden zult hebben getoond. Zoals ik u heb leren kennen, bent u voor de weinigen, niet voor 4 miljoen en ik sluit me daar met mijn werk bij aan in het bewustzijn eveneens tot de weinige uitverkorenen te behoren, van wie het publiek klein maar fijn is en van wie het werk in het algemeen pas in de komende tijd begrepen of, zo u wilt, opgelost zal kunnen worden.”


De belichaming van ‘une brute’

Nadat hij deze tirade kwijt was moet Schneider zich hebben gerealiseerd dat waarschijnlijk niet May alleen voor het veranderingsvoorstel verantwoordelijk was en vervolgde: “als de uitgever bang is dat door mijn toevoeging de helft van de ezels het laat afweten zodat de ‘handel’ minder wordt, dan raak ik werkelijk gedeprimeerd en vergaat me de lust verder te gaan.”

Met deze laatste veronderstelling had Schneider niet ongelijk. Fehsenfeld wilde zijn publiekslieveling May natuurlijk graag een genoegen doen, maar hij zal al snel hebben geconstateerd dat de symbolistische werken van Schneider bij het grote publiek op onbegrip stootten. Desondanks toonde hij zich bereid in 1905 een kunstportfolio met Schneider’s May-ontwerpen en een inleiding door theologieprofessor Johannes Werner op de markt te brengen. De verkoop hiervan viel ontzettend tegen en dat zal ook hebben gegolden voor de Schneider-editie van May’s werken, want in juni 1906 bezocht hij Schneider, die daarover aan May berichtte: “Hij beweerde dat ik wat betreft een nieuwe populaire heruitgave van uw werken eerst van uzelf zou horen. Wat ik van populair vind, weet u. U denkt anders en het komt niet in me op me tegen uw mening te verzetten. Fehsenfeld vertelde me dat de map niet loopt en dat mijn titelprenten in het algemeen onbegrijpelijk zijn.” May schreef hierop een verzoenende brief terug waarin hij beweerde ook niet gelukkig met de plannen van zijn uitgever te zijn en dat hij die alleen onder strikte condities zou toelaten. Uiteindelijk werd zo’n nieuwe volkseditie natuurlijk toch gerealiseerd en werd de Schneider-uitgave tot de status van verzamelaarseditie verheven.

Dit zal Schneider ongetwijfeld hebben teleurgesteld, maar het project was voltooid en hij zette zich aan nieuwe werken. Bovendien was hij in 1904 tot professor in Weimar benoemd, onder andere op voorspraak van zijn vriend en mentor Max Klinger. Niet iedereen was gelukkig met deze keuze. Zo tekende de kunstverzamelaar, schrijver, politicus en diplomaat Harry graaf Kessler, die een prominente positie in het (kunst)leven in Weimar innam, op 7 juli 1905 in zijn omvangrijke dagboek aan: “[Schneider] is in geest en gedrag de meest volkomen belichaming van wat de Fransman ‘une brute’ noemt; een soort Caliban [de dierlijke zoon van de heks Sycorax in Shakespeare’s The Tempest, red.]. Van dat wat hij vandaag heeft gezegd, is mij de uitspraak bijgebleven: ‘Bij het naakt is de uitdrukking van de ogen de hoofdzaak.’ Over dit onderwerp een uur lang gediscussieerd. Hij begrijpt niet eens de tegenwerpingen.”



‘Mijn aangeboren natuurlijke aanleg’


Waarschijnlijk waren Kessler’s bedenkingen oprecht. Er kan echter hebben meegespeeld dat ook hij een liefhebber van mannen was. In het jaar dat Schneider Weimar moest ontvluchten, bezocht Kessler, samen met de bevriende Franse beeldhouwer Aristide Maillol, in Taormina zijn vriend Von Gloeden. Een jaar eerder had Maillol het beeld Le cycliste vervaardigd, waarvoor de toen zestien- of zeventien-jarige Gaston Colin, met wie Kessler vanaf 1907-1908 een liefdesverhouding had, naakt model had gestaan. Het is dus niet ondenkbaar dat Kessler de aanwezigheid van iemand wiens mannenliefde zeker geen groot geheim was als een gevaar voor zijn eigen privé-leven beschouwde in een tijd waarin alle homoseksuele handelingen onder de beruchte paragraaf 175 van het Wetboek van Strafrecht in Duitsland strafbaar waren.

Dat Schneider zijn erotische voorkeur niet als een intiem, zeer groot geheim beschouwde, blijkt uit de omstandigheid dat hij er Karl May al binnen een jaar na hun kennismaking in een gesprek van op de hoogte bracht en hem vervolgens op 19 mei 1904 ook nog schreef: “Deze bij mij aangeboren natuurlijke aanleg is niet te bestrijden en te onderdrukken. Waarom ook? Zonde bestaat voor mij in dit opzicht niet. En heeft het mij tot nu toe verhinderd aan het grote en edele te denken? - Niet verlossing uit deze wereld, maar vrijheid in deze wereld is mijn vurigste wens.” Ongeveer een half jaar later berichtte Schneider’s zus Lilly ook May’s vrouw Klara over de voorkeur van haar broer en ze verklaarde daarbij dat ze dit geheim weliswaar zorgvuldig hoedde, maar: “Het is helaas allang meer dan u denkt bekend.”

Schneider deed ook niet overmatig veel moeite zijn voorkeur te verhullen. Zijn woning in Weimar deelde hij vanaf het begin met de in 1885 geboren Hellmuth Jahn, een jonge schilder die hij in zijn tijd te Meißen had leren kennen en waarschijnlijk kunstonderricht heeft gegeven toen die van 1902 tot 1904 aan de Königlich Sächsischen Kunstgewerbeschule in Dresden studeerde. Nadat Schneider zich had gerealiseerd dat in de woning onder hen de officier van justitie Paul Naumburg woonde, schreef hij op 18 oktober 1904 aan Kuno von Hardenberg: “We zitten op een kruitvat.”


De liefde die tot chantage leidde

Al voor de vestiging in Weimar was de verhouding tussen beiden echter problematisch. Op 31 augustus 1904 bekende Schneider in een brief aan Von Hardenberg: “Met Hellmuth is dat zoiets. Terwijl de hartstocht en de interesse van de kunstenaar mij naar hem toe trekken, stoten zijn kilte tegenover mijn vurigheid, zijn slechte opvoeding & een uitgesproken egoïsme mij van hem af. Het is een eeuwig Op & Af in mijn stemmingen & een volledige hulpeloosheid bij toestanden die mij als een soort noodlot, zonder op de een of andere manier mijn wil te respecteren, gevangen houden. Bijna zou ik wensen dat ik van hem af was; in ieder geval: Had ik hem maar nooit ontmoet! Maar de gedachte aan scheiding, en zonder hem in dat doodse nest [Weimar] te verhuizen, maakt me bijna waanzinnig. [...] Ach, als hij maar voor een tiende zo van mij houden kon, als ik van hem.”

Ruim een jaar na hun verhuizing naar Weimar besloot Jahn Schneider te verlaten en naar Berlijn te vertrekken. Schneider betoonde zich in een brief aan Von Hardenberg zowel treurig als opgelucht daarover. De scheiding verliep bepaald niet vriendschappelijk, want op 16 januari 1906 berichtte Lilly Schneider Klara May dat het “monster,” met wie ze Jahn bedoelde, bij het afscheid van “wraak” had gesproken. Hij maakte die dreiging ook waar, want hij poogde Schneider met diens homoseksualiteit te chanteren, waardoor de kunstenaar Weimar moest ontvluchten. Al bij zijn verhuizing naar de Goethe-stad had Max Dittrich, die met Schneider maar vooral diens zus Lilly bevriend was, aan Klara May geschreven dat hij zich zorgen maakte, want: “In Weimar heerst een ander milieu dan in Berlijn en Italië.” Hieraan vooraf had hij de verzuchting geslaakt: “Als zijn weg naar de stralende hoogten van de roem maar niet eindigt in het moeras van waanzin en ongeluk à la schilder Allers of dichter Oscar Wilde.” Met de vermelding van deze namen maakte Dittrich een toespeling op de juridische problemen van beide kunstenaars, want Christian Wilhelm Allers werd in 1903 in Napels wegens zijn homoseksualiteit tot een gevangenisstraf veroordeeld (waaraan hij zich door vlucht onttrok), terwijl Wilde in 1895 in Londen op dezelfde grond tot twee jaar tuchthuis werd veroordeeld, die hij ook uitzat.


‘De kwajongen is naar Caïro afgereisd’

Wat Jahn zich bij zijn chantagepoging waarschijnlijk niet meteen had gerealiseerd, was dat hij zichzelf daardoor ook aan verdenking blootstelde en dus ook uit Duitsland verdwijnen moest. Schneider gaf hem geld om naar Caïro te gaan en nooit meer terug te keren. In mei schreef Schneider echter aan Hans Olde: “H. J. is niet naar Caïro vertrokken, maar wendt zich nu nog in verband met z’n paspoort aan mij.” Ongeveer een maand later kon hij echter opgelucht berichten: “Misschien heeft u [...] al gehoord, dat ik buiten alle gevaar ben. De kwajongen is toch naar Cairo afgereisd, waar hij zonder enige middelen nu over zijn daad nadenken kan. U kunt zich voorstellen, hoe ik heradem.”

Hiermee was deze geschiedenis echter nog niet ten einde. In 1909 dook Jahn in Florence op, waar Schneider zich vooral op het beeldhouwen had gestort. Hier woonde hij samen met de in 1886 geboren schilder en beeldhouwer Robert Spies, die in de Eerste Wereldoorlog omkwam. Ook had hij een intieme vriendschap gesloten met de Russische schilder Daniel Stepanoff. De laatste schijnt helemaal uit het collectieve geheugen verdwenen te zijn, want er is niets over hem te achterhalen. (Hoewel het mogelijk is dat er enige informatie over hem te vinden is in het artikel over Schneider dat Donatella Cingottini in 1998 bijdroeg aan Artista: Critica dell’arte in Toscana, maar ik ben het Italiaans niet machtig.) Het was echter Stepanoff die Schneider te hulp kwam toen Jahn in Florence opdook. Hij “ensceneerde een echt Russische diplomatieke manoeuvre” en zorgde ervoor dat Jahn eerst achter de tralies verdween en vervolgens het land werd uitgezet om daarna in de nevelen van de geschiedenis te verdwijnen.



‘Ik ga mijn eigen weg’

Dit gaat niet op voor Schneider, hoewel ook voor hem de vergetelheid heeft gedreigd. Na zijn overlijden op 18 augustus 1927 werd in het begin van 1928 nog een grote herdenkingstentoonstelling aan hem gewijd, die veel publiciteit en bezoekers trok. Maar in de loop van de twintigste eeuw veranderde de kunstwereld en moest het symbolistische werk van onder anderen Schneider in de aandacht het veld ruimen voor kunstenaars die andere, meer “vooruitstrevende” stromingen aanhingen. In 1967 publiceerde Hansotto Hatzig echter een uitgave van documenten over de vriendschap van Schneider en Karl May. In de inleiding daarvan schreef hij: “De tijd voor een nieuwe waardering, om niet te zeggen: herontdekking van Sascha Schneider is gekomen,” vooral ook door de hernieuwde aandacht die de Jugendstil in de jaren zestig kreeg.

Sinds Hatzig’s boek heeft Schneider een plaats verworven in de May-Forschung, maar in de algemenere kunstwereld zou zijn herontdekking nog op zich laten wachten. Bij de wederopleving van de belangstelling voor zijn werk was de homo-erotische inspiratie ervan een pluspunt. In 1997 werden enkele van zijn werken getoond op de tentoonstelling Goodbye to Berlin? 100 Jahre Schwulenbewegung in Berlijn, die mede door het Schwules Museum aldaar was samengesteld. In 2012 was zijn werk vervolgens vertegenwoordigd op de baanbrekende tentoonstelling Nackte Männer in het Leopold Museum te Wenen.

De herleving van de aandacht voor zijn werk beleefde echter een hoogtepunt met de grote overzichtstentoonstelling Sascha Schneider: Ideenmaler & Körperbildner, die van 28 maart tot en met 21 juli 2013 werd gehouden in de Kunsthal “Harry Graf Kessler” van het Stadtmuseum te Weimar. Ter gelegenheid hiervan verscheen ook een fraaie, tweetalige (Duits en Engels) publicatie waarin een groot aantal werken van Schneider is gereproduceerd en zijn leven en werk onder de loep worden genomen.

Aan het eind van hetzelfde jaar presenteerde het Lelie-Lohman Museum of Gay and Lesbian Art te New York Nude in Public: Sascha Schneider - Homoeroticism and the Male Form circa 1900. Deze tentoonstelling is nu onder de aangepaste titel “Ich gehe meine eigenen Wege...” Sascha Schneider - Kunst und Homoerotik um 1900 nog tot en met 30 juni te zien in het Schwules Museum te Berlijn.

Zelfs als Schneider’s plaats in het collectieve kunstgeheugen mogelijk nog niet al te sterk verankerd is, dan hebben zijn leven en werk door deze tentoonstelling aan beide zijden van de Atlantische Oceaan in ieder geval een stevige positie in de homogeschiedschrijving veroverd.



De titel van dit artikel is een bekort citaat uit een brief van Sascha Schneider aan Klara May van 4 juni 1910.




Literatuur

* Rolf Günther & Klaus Hoffmann, Sascha Schneider & Karl May: Eine Künstlerfreundschaft. Radebeul: Karl-May-Stiftung, 1989
* Hansotto Hatzig, Karl May und Sascha Schneider: Dokumente einer Freundschaft. Bamberg: Karl-May-Verlag, 1967
* Karl May, Briefwechsel mit Sascha Schneider. Herausgegeben von Hartmut Vollmer und Hans-Dieter Steinmetz. Bamberg / Radebeul: Karl-May-Verlag, 2009
* Silke Opitz (Hrsg.), Sascha Schneider: Ideenmaler & Körperbildner / Visualizing Ideas through the Human Body. Weimar: Verlag der Bauhaus-Universität, 2013
* Annelotte Range, Zwischen Max Klinger und Karl May: Studien zum zeichnerischen und malerischen Werk von Sascha Schneider (1870-1927). Bamberg: Karl-May-Verlag, 1999
* Sascha Schneider, Mein Gestalten und Bilder & Über Körperkultur. Wiesbaden: Nassauischer Kunstverein, [1991]
* Christiane Starck & Hans-Gerd Röder, Sascha Schneider und Karl May: Zwei Künstler des deutschen Symbolismus. Bamberg: Karl-May-Verlag, 2010



Schwules Museum
Lützowstraße 73
10785 Berlijn



 









Rubrieken:


















Meer uit Theater, Kunst & Expo
Meer uit nummer 274
Meer van Hans Hafkamp





People Direct


Zelfstandig werkende Escortboys | Self employed escortboys

meer info |visit


Club Church


Cruise Club with theme-nights and darkroom

meer info |visit















bottom image




Entire © & ® 1995/2017 Gay International Press & Stichting G Media, Amsterdam. All rights reserved.
Gay News ® is een geregistreerde merknaam. artikelen Gay News; duplicatie niet toegestaan. Opname uitsluitend na schriftelijke toestemming van uitgever, met verplichte bronvermelding gaynews.nl. Door derden overgenomen artikelen worden in rekening gebracht, en zo nodig geincasseerd. Gay News ISSN: 2214-7640, ISBN 8717953072009. Gay News op Wikipedia.
Volg Gay News:
Twitter Issuu
RSS RSS Editors
zelfstandige Escortboys

CMI
Neem contact op
Abonneren
Adverteren






© 1995/2017 Gay News ®, GIP/ St. G Media