Back to Top
Woensdag 28 juni
85917 users - nu online: 1565 people
Gay News : Editie : 257 : Steve Lenius beziet de wonderbare wereld van leer en SM

Printervriendelijke Pagina  

Steve Lenius beziet de wonderbare wereld van leer en SM

door Hans Hafkamp in Uitgaan , 03 januari 2013


Als ik mij goed herinner heeft geen Nederlands homotijdschrift ooit meer dan tien jaar een “vaste” columnist over de leerscene gehad. Ook bij bladen in andere Europese landen staan me zo gauw geen voorbeelden voor ogen. In de Verenigde Staten...

... is het aanbod aan (regionale) tijdschriften zo groot, dat het niet gemakkelijk is een overzicht te krijgen, maar misschien heeft Steve Lenius gelijk als hij beweert dat de column Leather Life, die hij schrijft voor het tweewekelijks te Minneapolis verschijnende tijdschrift Lavender, enigszins ongewoon is omdat die niet verschijnt “in een rigoureus op leer georiënteerde publicatie, maar juist in een publicatie met een algemene LGBT-invalshoek.” Overigens meldt Lenius elders dat Mr. Marcus Hernandez vanaf 1971 tot zijn overlijden in 2009 wekelijks de column Leather and Dish schreef voor de Bay Area Reporter uit San Francisco, dus er zijn andere voorbeelden.

Enige jaren geleden publiceerde Lenius een ruime selectie uit zijn columns in boekvorm onder de titel Life, Leather and the Pursuit of Happiness, een uitgave waarop mijn aandacht pas het afgelopen jaar werd gevestigd. In de inleiding bij dit boek schrijft Lenius dat zijn columns niet alleen aantrekkelijk moeten zijn voor mensen die hun plaats in de leerwereld reeds gevonden hebben, “maar ook voor mensen die niet noodzakelijkerwijze deel van die gemeenschap uitmaken. Het betekende ook dat mensen die zich misschien niet als homo, lesbisch, biseksueel of transgender identificeren, maar die zich mogelijk als kinky identificeren, een reden hadden een exemplaar van Lavender mee te nemen, wat een goede manier is om bondgenoten te maken en bruggen tussen gemeenschappen te bouwen.” Ik vraag me af of het verstandig is de beoogde doelgroep voor een gespecialiseerde column zo breed te maken, want dan is de kans groot dat niemand werkelijk bediend wordt, een overweging waarin ik door het boek enigszins wordt gesterkt.

Bij de beoordeling van Lenius’ columns doemen twee problemen op. Ten eerste behoren de Tweelingsteden Minneapolis en St. Paul niet tot de grote homometropolen - zoals New York of San Francisco - waarover al zoveel is geschreven dat ook mensen die deze steden nooit hebben bezocht, een redelijk idee kunnen hebben over de homowereld aldaar. Hierdoor wordt het moeilijker het publiek waarvoor Lenius’ artikelen oorspronkelijk geschreven werden te bepalen. Bovendien ken ik het gratis gedistribueerde Lavender niet, en weet daardoor niet in hoeverre Lenius’ columns een aanvulling vormen op mogelijk andere berichtgeving die op de leerwereld betrekking heeft, zoals boek- of dvd-besprekingen en in memoriams.

Het is daardoor mogelijk dat Lenius sommige onderwerpen niet kon aansnijden omdat reeds iemand anders daarvoor verantwoordelijk was. Een behoorlijk aantal stukken in Life, Leather and the Pursuit of Happiness zijn echter niet zozeer columns, waarbij een lezer vooral een persoonlijk, opiniërend karakter verwacht, maar zuiver journalistieke artikelen, waardoor de indruk ontstaat dat Lenius niet zozeer de leer-columnist van Lavender is, maar in veel gevallen de leer-verslaggever.

Een auteur die tijdschriftbijdragen bundelt, dient zich er echter van bewust te zijn dat ze daarmee een veel breder publiek dienen aan te spreken, dan dat waarvoor ze in eerste instantie waren bedoeld, waardoor deze facetten enigszins aan belang inboeten.


We hebben een geschiedenis!

Steve Lenius kwam op negentien-jarige leeftijd uit de kast, een gebeurtenis die zijn moeder Mary Borhek meteen het boek My Son Eric in de pen gaf. In 1993, toen hij zevenendertig was, beleefde hij een tweede coming-out als “leerman,” een identiteit waar hij zich met volle overgave in stortte. Hij begon uit te gaan in The Men’s Room, toentertijd de enige leerkroeg in Minneapolis, en bezocht voor de eerste keer de verkiezing van Mr. Minnesota Leather.

In 1994 deed hij mee aan de verkiezing van Mr. Minnesota Drummer en won die titel, waardoor hij werd afgevaardigd naar de verkiezing van International Mr. Drummer 1994 in San Francisco. Deze titel ging aan zijn neus voorbij, maar enkele maanden later werd hij gevraagd een column over de leerwereld te schrijven voor Lavender, dat in 1995 werd gelanceerd. Deze levensloop roept de vraag op waarom juist Lenius als “leer-columnist” werd gevraagd, want voor een gespecialiseerd onderwerp zou je een auteur met veel ervaring en kennis verwachten en die zijn niet aanwezig bij iemand die twee jaar eerder pas in een bepaalde scene werd geïntroduceerd.

Helaas bewaart Lenius het stilzwijgen over zijn leven tussen zijn coming-out en zijn herrijzenis als leerman, met uitzondering van de mededeling dat hij achttien jaar in een “mishandelingsrelatie” leefde. Je krijgt echter de indruk dat hij in die jaren ook grotendeels buiten de homowereld verkeerde.

Nog in 2006 schreef hij een column over een tweetal lezingen - door academicus Robert Bienvenu en ervaringsdeskundige Chuck Renslow - over de geschiedenis van SM vanaf de negentiende eeuw en toen deze presentaties voorbij waren, was Lenius overweldigd: “We hebben een geschiedenis - een geschiedenis die fascinerend is,” proclameerde hij, “maar omdat die in de loop van de jaren zo verborgen is gebleven, weten de meeste mensen niet dat die bestaat.”

Van een leer-columnist mag je echter verwachten dat hij deze geschiedenis juist wel kent, zeker waar het de meer recente periode betreft. Als hij vanaf 1974, het jaar waarin hij zijn coming-out beleefde, met enige regelmaat de nationale homotijdschriften, zoals The Advocate, Christopher Street, Gay Community News, of het Canadese The Body Politic had gelezen, dan was hij van het bestaan van een deel van deze geschiedenis op de hoogte geweest. En dan heb ik het nog niet eens over de imposante rij boeken (zowel fictie als non-fictie) die over de leer- en SM-wereld is verschenen sedert in de jaren zestig de facto de censuur in de Verenigde Staten werd opgeheven.


In gesprek met de vorigen

In diverse artikelen zingt Lenius de lof van de Leather Archives & Museum te Chicago, omdat daar de geschiedenis van de leerwereld wordt geconserveerd. Hij vindt het belangrijk dat aan komende generaties leerjongens de wortels van deze cultuur worden doorgegeven “door het herinneren, respecteren en eren van onze leer-tradities en degenen in leer die ons zijn voorgegaan.” In zijn eigen boek schitteren echter juist die voorgangers door afwezigheid. In de inleiding schrijft Lenius dat John Preston (1945-1994) aan het eind van zijn leven z’n leer niet meer wilde dragen omdat hij vond dat de leerscene was gedegenereerd tot een soort Rotary Club van de homowereld.

Hij meldt echter niet dat Preston onder andere de auteur was van de spraakmakende roman Mr. Benson, die in 1979 en 1980 als feuilleton in Drummer werd gepubliceerd en in 1983 in boekvorm verscheen. Mr. Benson vertelt de geschiedenis van de jonge, eenzame clone Jamie die in de disco’s van New York op zoek is naar Mister Right, maar in plaats daarvan Mr. Benson ontmoet, die hem op een reis van erotisch onderricht meevoert, waardoor hij wreedheid als liefde, pijn als genegenheid, en deze indrukwekkende man als zijn meester leert te accepteren. Mr. Benson biedt, kortom, een inkijkje in de leerscene voordat die door aids grondig werd omgegooid.

John Preston mag zich echter postuum gelukkig prijzen dat hij überhaupt genoemd wordt, want Lenius maakt helemaal geen melding van invloedrijke voorgangers als Mark Thompson, vele jaren redacteur van The Advocate en samensteller van de baanbrekende essaybundel Leatherfolk: Radical Sex, People, Politics, and Practice (1991); Aaron Travis, redacteur van Drummer en schrijver van, onder veel meer, de in het Romeinse Rijk gesitueerde SM-homoroman Slaves of the Empire (1985); of Jack Fritscher, eveneens redacteur van Drummer en auteur van onder andere de roman Leather Blues: The Adventures of Denny Sargent (1984; oorspronkelijk in 1968 uitgegeven door Lou Thomas van Target Studio in New York onder de titel I Am Curious (Leather)), om willekeurig enkele namen te noemen. Nu snap ik dat een algemene leer-column niet altijd een historisch karakter kan hebben, maar het is me ronduit onbegrijpelijk dat iemand meer dan driehonderd pagina’s vanuit een homogezichtspunt over leer en SM kan schrijven zonder eenmaal de naam van Larry Townsend (1930-2008) te laten vallen.

Townsend was de auteur van meer dan twintig homopornografische SM-romans zoals Run Little Leather Boy uit 1970, maar vooral van het gezaghebbende The Leatherman’s Handbook, waarvan de eerste editie in 1971 verscheen. Ik realiseer me dat deze “bijbel van de leerscene” zowel fanatieke voor- als tegenstanders kent, maar het was wel het eerste boek over SM dat op grote schaal in kiosken en boekwinkels verkrijgbaar was. Townsend vormde meer dan veertig jaar een belangrijke stem binnen de homoseksuele SM-wereld, want nog op hoge leeftijd schreef hij regelmatig columns voor Bound & Gagged, een tijdschrift dat overigens ook aan Lenius’ aandacht is ontsnapt.

Schrijvende pioniers zijn overigens niet de enigen die Lenius negeert, ook kunstenaars kunnen niet op zijn aandacht rekenen. Weliswaar noemt hij Tom of Finland - de meest door een algemeen publiek geaccepteerde homopornografische kunstenaar - en Etienne, maar het is in Life, Leather and the Pursuit of Happiness vergeefs zoeken naar Cavelo (die Travis’ Slaves of the Empire illustreerde), The Hun, Nigel Kent of Rex. Laatstgenoemde leverde niet alleen de omslagillustratie voor Fritscher’s Leather Blues, maar ook voor bijvoorbeeld het honderdste nummer van Drummer, een tijdschrift waarvan Lenius het heengaan gevoelvol betreurt.


Schaamtevol aantrekkelijk

Zijn treurzang bij de stopzetting van Drummer brengt me bij Lenius’ Werdegang terug. Kort nadat hij uit de kast was gekomen, ontdekte hij bij zijn zoektocht in de homowereld ook Drummer, dat “anders was dan elk ander homotijdschrift dat ik tot dat moment had gezien [...]. De Drummer-mannen [...] bevonden zich in een eigen categorie. [...] Zelfs geheel in leer gekleed, straalden ze meer seks uit dan veel van de naakte gozers in de andere bladen. Natuurlijk, ook de Drummer-mannen gingen uit de kleren, en dat was fenomenaal. En vervolgens begonnen ze dingen met elkaars lichamen te doen, wat eng was. (‘Goh, doet dat geen pijn.’) Eng, maar ook vreemd, heimelijk, enigszins schaamtevol aantrekkelijk; het stootte me af als ik eraan dacht, maar sommige zaken die ik in Drummer zag bleven jarenlang in mijn fantasieën terugkeren.”

Hoe kan het dat iemand die als hij begin twintig is ontdekt dat hij bepaalde uitingen van homoseksualiteit spannend vindt, bijna twintig jaar nodig heeft deze lokroep te volgen? Het antwoord op deze vraag is waarschijnlijk te vinden in de woorden “geheim” en “beschamend,” maar dan nog. Lenius schijnt de leerscene beschouwd te hebben als een afgesloten wereld waartoe moeilijk toegang te verkrijgen is, waardoor hij het als een wonderbaarlijke openbaring ervoer toen hij er zijn eerste stappen zette.

Deze impressie komt natuurlijk maar zeer ten dele met de waarheid overeen. Nu weet ik niet hoe de situatie in het mid-westen van de Verenigde Staten was, maar in de jaren tachtig was de leerscene in Amsterdam bepaald geen hermetisch afgesloten bolwerk waartoe je slechts met het juiste paswoord toegelaten werd; je moest allen bepaalde regels respecteren. En toen mijn man en ik in 1996 voor het eerst de Eagle in New York bezochten, heersten ook daar geen uiterst strenge kledingvoorschriften. Natuurlijk moest je er niet in een roze tutu en op naaldhakken komen binnenschrijden, maar we mochten er probleemloos in met een zwarte of blauwe spijkerbroek en een wit of zwart t-shirt (misschien uit chauvinistische motieven van de Amsterdamse Eagle) en dat gold ook voor leerbars in andere grote steden in Amerika.


Seksuele vrijheid als fundamenteel mensenrecht

In zijn boek presenteert Lenius in veel gevallen de SM-scene als een wereld van “verboden” verlangens, die, ook in de homowereld, het slachtoffer is van “leerfobie,” en waarin kink-liefhebbers zich gediscrimineerde buitenstaanders voelen die voor seksuele vrijheid als een fundamenteel mensenrecht in het strijdperk moeten treden. Misschien heeft hij gelijk als hij stelt dat de publieke opinie in Amerika leer, SM en fetisj-seksualiteit in dezelfde categorie plaatst als “prostitutie en andere schandalige dingen,” een opvatting die in ieder geval door de invloedrijke Christen-fundamentalisten wordt aangehangen.

Bij het lezen van Lenius’ boek vergeleek ik zijn beschrijvingen soms met de Nederlandse situatie. Misschien hebben liefhebbers van kinky seks het hier de afgelopen decennia inderdaad gemakkelijker gehad. In het begin van de jaren tachtig traden radicale feministen in Amerika luidkeels op de barricaden tegen onder andere pornografie en sadomasochisme. De meest krijsende van deze negatief door seks geobsedeerde stemmen waren die van Catharine MacKinnon en Andrea Dworkin, die ook tot de Nederlandse zusters en media doordrongen.

Het goede journalistieke gebruik van hoor-en-wederhoor leidde er echter toe dat de anti-SM-geluiden een tegenhanger kregen waarin voorstanders aan het woord kwamen. Deze liefhebbers waren deels afkomstig uit de VSSM (Vereniging Studiegroep Sadomasochisme), die al in 1970 was opgericht en daarmee de oudste SM-vereniging ter wereld is (en nog steeds bestaat). Maar er waren ook individuele personen die geen geheim van hun kinky voorkeuren maakten. Ik herinner me nog dat Jim Holmes (1924-1986), een gelauwerde vertaler die aan de Universiteit van Amsterdam werkzaam was en als onmiskenbare leerman door het dagelijks leven ging, in een van de populaire tv-talkshows van Sonja Barend was uitgenodigd naar aanleiding van de vertoning op televisie van de geruchtmakende homofilm Taxi zum Klo (1980) van regisseur Frank Riploh.

En dan was er natuurlijk Betty Paërl, een man-naar-vrouw transseksueel die ook aan de UvA was verbonden (als docent wiskunde), maar in vele columns, artikelen en interviews vooral als welbespraakte voorvechtster van sadomasochisme en andere “afwijkende” seksuele voorkeuren naar buiten trad. Hoewel zeker bij de populaire media deze berichtgeving over sadomasochisme soms een enigszins “ondeugende” toonzetting had, was de teneur doorgaans positief.


Leuk, geil en opwindend

Lenius acht het nodig de strijd voor acceptatie nog steeds te voeren. Daarom hamert hij in zijn boek consequent op het mantra Safe, Sane & Consenual (SSC), dat de grondslag van de BDSM-wereld zou vormen. Nu lijken me “veilig, gezond en met wederzijdse instemming” begrippen die voor elke relatie zouden moeten opgaan, of dat nu een langjarige SM-relatie is of een snelle vanille-wip (want niemand wil dat die leuke man die je uit de kroeg hebt meegesleept ineens allerlei ongewenste zaken met je uitspookt). Op een gegeven moment stelt Lenius weliswaar dat “leer” “trots en vreugdevol seks viert” and dat seks “een leuke, prettige activiteit” is, maar dat is dan ook een van de weinige keren dat hij ronduit verklaart dat SM vooral leuk, geil en opwindend is. In het licht van zijn constante herhaling van het SSC-mantra is het overigens vreemd dat hij in een wensfantasie waarin leer en SM de wereld hebben veroverd en bijvoorbeeld miljoenen mensen kijken naar de uitzending van de verkiezing van International Mister Leather te Chicago, hij “Las Vegas’ nieuwste en meest kinky trekpleister, [...] een hotel waarin elk van de 5000 kamers een volledig ingerichte SM-kerker is” The Charenton doopt, een verwijzing naar het krankzinnigengesticht waarin Donatien Alphonse François, markies de Sade zijn laatste levensjaren doorbracht. In het oeuvre van Sade is de seks namelijk allesbehalve veilig en psychisch gezond en vindt zeker niet met wederzijdse instemming plaats.

Life, Leather and the Pursuit of Happiness bestaat uit twee delen. Het eerste deel, “Leather,” omvat slechts zo’n vijftig pagina’s en bevat artikelen over “de dingen die de gemeenschap bijeen hebben gebracht.” Dit opent niet met een loflied op de sensuele aspecten van leren kleding, maar nogal specialistisch met een column over de vervaardiging van leer. Daarna volgt een column over rubber, waarvoor Lenius niet in een rubberpak naar een rubberfeest is gegaan om daar verschillende liefhebbers uit te horen. In plaats daarvan laat hij één rubberman aan het woord, die verklaart dat rubberseks de geborgenheid en intimiteit van de baarmoeder kan oproepen...

Na rubber besteedt Lenius aandacht aan uniformen, een fetisj waarvan het “natuurlijk” is dat het veel homo’s opwindt, omdat de leerscene “grotendeels is begonnen door militairen die uit de Tweede Wereldoorlog waren teruggekeerd.” Nu is er iets voor te zeggen dat de Amerikaanse homowereld in het algemeen vooruit is gebracht door demografische veranderingen die het gevolg van de Tweede Wereldoorlog waren, maar om te poneren dat uniformliefde daardoor min of meer een genetisch bepaalde karaktertrek van homo’s zou zijn, lijkt me grote onzin. Je kunt dan net zo goed stellen dat veel homo’s van uniformen houden omdat zeker vanaf het midden van de negentiende eeuw tot het midden van de twintigste eeuw veel soldaten, matrozen en andere geüniformeerde prachtjongens genegen waren tegen vergoeding seksuele diensten te verlenen.

De andere columns in dit deel zijn enigszins willekeurig; zo schrijft Lenius bijvoorbeeld wel over het laten knallen van de zweep, maar niet over het eenvoudige pak op de blote billen, wel over bondage, maar niet over vuistneuken (of is dat te vanille?), om maar enige voorbeelden te noemen. Het tweede deel, “Life,” dat in veertien hoofdstukken is onderverdeeld, handelt over het leven binnen de leer- en SM-gemeenschap en van de mensen die er deel van uitmaken. Hierin komen zoveel onderwerpen aan bod dat het niet mogelijk is daarvan ook maar enigszins een overzicht te geven. Hoewel sommige stukken een erg Amerikaans karakter hebben, is Life, Leather and the Pursuit of Happiness zeker de moeite waard voor wie is geïnteresseerd in de, wel soms politiek correcte, opvattingen en ervaringen van een zeer actieve participant in de leer- en SM-wereld van de afgelopen twintig jaar.



Steve Lenius, Life, Leather and the Pursuit of Happiness. Minneapolis: Nelson Borhek Press, 2010, 336 blz., ISBN 9780984300228








 
gerelateerd
En de nieuwe Mister XXXLeather is... Wolf Schmid!

Laurent Muller, een Franse kunstenaar verliefd op Amsterdam

Het Galakoor zingt Requiem for Humanity










Er heeft niemand gereageerd, jij misschien?


Steve Lenius beziet de wonderbare wereld van leer en SM

Reageer:

Reactie:
Je naam: ip 54.198.223.170















Rubrieken:








In het nieuwste nummer, Gay News 311, 2017














Meer uit Uitgaan
Meer uit nummer 257
Meer van Hans Hafkamp





Man to Man


Cinema ticket valid all day
With darkroom!

meer info |visit


AA Boys


First class boys, home and hotelvisits

meer info |visit















bottom image




Entire © & ® 1995/2017 Gay International Press & Stichting G Media, Amsterdam. All rights reserved.
Gay News ® is een geregistreerde merknaam. © artikelen Gay News; duplicatie niet toegestaan. Opname uitsluitend na schriftelijke toestemming van uitgever, met verplichte bronvermelding gaynews.nl. Door derden overgenomen artikelen worden in rekening gebracht, en zo nodig geincasseerd. Gay News ISSN: 2214-7640, ISBN 8717953072009. Gay News op Wikipedia.
Volg Gay News:
Twitter Issuu
RSS RSS Editors
zelfstandige Escortboys

CMI
Neem contact op
Abonneren
Adverteren