Back to Top
Vrijdag 15 Nov
86374 users - nu online: 1182 people
86374 users - nu online: 1182 people login
VAN ONZE EDITORS
Share:





Historie & Politiek

Een jonge homo boet voor zijn onwetendheid

John Welbergen is in 1934 in Leiden geboren en groeide op in Den Helder. Zijn vader werkte bij de marine en vertrok in 1938 naar Indië waar hij tijdens de oorlog in een gevangenenkamp stierf. Zoon en vader hebben elkaar nauwelijks gekend. John groeide op met zijn moeder en na de oorlog met een stiefvader. In 1955 kreeg John met de politie te maken vanwege artikel 248bis in het Wetboek van Strafrecht. Hier volgt zijn verhaal in eigen woorden, opgetekend door Gert Hekma.


door Gert Hekma - 15 december 2011

lengte: 14 min. Printervriendelijke Pagina  
artikel 248bis - Om de liefde in de gevangenis


This article is also available in English
lengte: 14 minuten


Ik heb het altijd merkwaardig gevonden dat ik mijn vriendjes leuker en interessanter vond dan mijn vriendinnetjes. Ik zat op dansles en het was gebruikelijk dat je zo’n meisje naar huis bracht en dan moest er gezoend worden. Van mijn vriendjes begreep ik dat je dan ook handtastelijkheden moest plegen.

Vaak had ik daarna met één van mijn vriendjes een afspraak en dan hadden we seks met elkaar. Gingen we een beetje rukken en trekken, niet pijpen, niet zoenen, dat was het dan. Toen was ik een jaar of zeventien, achttien. Op m’n negentiende moest ik in dienst. Vlak daarvoor vroeg ik me af waarom ik zo anders was dan mijn vriendjes; van homoseksualiteit had ik toen nog nooit gehoord.


Er waren twee mannen in Den Helder die zich opzichtig kleedden en peau de suède schoenen droegen, dat was het kenmerk van de artiest of de homo. De één was Dorus Pieters, de zoon van een haringboer, en de ander groenteman Jan Koning.

Mijn moeder en vooral mijn tweede vader zei: als je maar niet zo wordt als Dorus Pieters. Maar wat was dat? Hij was opzichtig gekleed, maar een aardige man.

Ik besloot naar de dokter te gaan en vertelde hem dat ik mijn vriendjes leuker vond dan mijn vriendinnetjes.

John Welbergen (links) en Willem Kok, die bekendheid zou verwerven als de tekenaar Dorus, flankeren een prostituée tijdens een avondje stappen op de Amsterdamse Zeedijk in 1958

Hij zei: “Helemaal niet erg, daar kunnen we wel wat aan doen, ik zal je naar de zenuwarts sturen,” dat is een psychiater. Deze dr. Verhoeven was op zich al een heel merkwaardige man, strikje voor, hij gaf je geen hand maar hield zijn hand voor zich, die mocht je dan even vasthouden. Hij vroeg wat er met mij was. Ik zei dat ik na voetballen meestal met een van de jongens uit m’n elftal onder de douche ging en dat we elkaar dan betastten, en dat ik die wens bij meisjes helemaal niet had. Na dansles bracht ik ze naar huis, dan moest ik kussen, en dat vond ik helemaal niet leuk. Daar kon hij wel wat aan doen, hij kon me medicijnen geven en ik moest een vriendinnetje zoeken. Dan was het met de jongens afgelopen.

Ik heb de pilletjes van die man ingenomen en merkte dat ik de ochtenderecties die je als jongen altijd hebt, niet meer had. Ik had geen behoefte meer om te masturberen. Toen ik met een jongen onder de douche stond na basketbal gebeurde er helemaal niks meer van onderen. Dat was het moment dat ik dacht, wat krijgen we nou, dat was het moment dat ik de pilletjes door de wc heb gespoeld. Als ik anders was, dan moest ik dat maar accepteren en daarnaar gaan leven.

‘Al die jongens bruisten van de testosteron’

Ik ben uit mezelf naar die huisarts gegaan. Mijn moeder heeft altijd vermoed dat ik homo was maar dat werd nooit uitgesproken. Mijn tweede vader suggereerde vaak “je lijkt wel een meid” omdat ik erg met mijn uiterlijk bezig was. Ik had een “kippenkont,” dat was erg en vogue [plukje haar in de nek], een vetkuif, kleding, pied de poule [geblokt] jasje, rood overhemd met gele das, kanariegele sokken.

Ik werd in Den Helder toch wel een beetje vreemd bekeken. Net als de zoon van de haringboer, maar ze pikten het wel van mij. Het was niet gebruikelijk dat een homo voetbalde, maar toen ik jaar of twaalf, dertien was voetbalden al mijn vriendjes.

Als ik erbij wilde horen, dan moest ik gaan voetballen, of hockeyen, maar dat paste niet zo bij mijn milieu. Bovendien kon ik vrij goed voetballen, speelde in het Noord-Hollandse team. Als je iets goed kunt, dan heb je een zeker krediet. Ik deed nog toneel op school, dan mag je een beetje afwijkend gedrag vertonen.

Tekening door Dorus (Willem Kok) op de achterzijde van het te Amsterdam gepubliceerde tijdschrift ‘Euromale,’ 1965



Ik deed mijn best om een meisje te vinden en ontmoette een ontzettend leuk meisje, Rietje. Achteraf begreep ik dat ze een beetje mannelijk was. Ze judode. Als we een beetje stoeiden, verloor ik altijd. Met Rietje heb ik ook nog een keer de daad volbracht. Je raakt wel opgewonden maar dat bevredigde me niet echt. Toen kwam de redding, ik moest in dienst toen ik negentien, twintig was. Ik probeerde om bij de soldaten te komen, dan kwam ik eindelijk eens uit Den Helder. Nee hoor, ik moest bij de matrozen.

De opleiding was een gulden tijd voor mij. Al die jongens bruisten van de testosteron en ook daar ging het feestje door. Velen wilden wel met mij onder de douche of het park in. Eén keer in de zoveel tijd moest je wacht lopen. Er was een slaapzaal, daar moest je rond lopen “op de uitkijk.” Zag ik beweging onder de dekens, dan ging ik er op af, dat was een mooie tijd. Er zaten dertig jongens in de “bak,” die zijn samen in opleiding. Met drie of vier van hen had ik geregeld seksueel contact.

Ik werd op een mijnenveger geplaatst en op die boot kwam ik Kees van Ginneken tegen, een jongetje uit Brabant. Op hem werd ik op slag verliefd. Het werd een verhouding. Geen idee of die jongen homo was maar hij was dol op mij, dat kun je niet spelen. We hadden een half jaar geregeld seks. Omdat ik in Den Helder woonde, kon ik na gedane arbeid naar huis. Dan ging hij vaak mee en sliep hij bij ons thuis. Toen ik uit dienst ging, bleven we elkaar zien. Ik was milicien [dienstplichtige], hij beroeps. Hij ging met carnaval naar Breda, hij kwam ergens uit die buurt.


Toen hij terugkwam, en dat heb ik altijd merkwaardig gevonden, zei hij: “Je moet voor me betalen want ik heb een meisje zwanger gemaakt.” “Weet je dat nou al”, antwoordde ik, maar het was bij een vorig bezoek gebeurd. Als ik niet zou betalen, zou hij naar de politie gaan. Ik dacht “dat doet hij niet.” Maar hij deed het wel.

Ik werkte op de rijkswerf en verdiende ƒ 16,90 per week en daar kon ik die abortus niet van betalen. Dat was iets van vijf-zeshonderd gulden. Ik denk dat we het er wel eens over gehad hebben, dat wat we deden strafbaar was, dat we onze mond moesten houden. Dat was wel duidelijk. Ik wist het en ik zag er geen kwaad in. Ik ging er vanuit “die jongen houdt van me en gaat me niet aangeven.”

Maar hij heeft me een paar keer opgebeld om geld te eisen en ten slotte dus aangegeven. Vlak voordat hij me verlinkte, had ik de kans om naar Nieuw Guinea te gaan om daar mee te helpen bij de bouw van een elektriciteitscentrale. Kon ik eindelijk weg uit Den Helder. Ik had al geld gekregen om voorbereidingen te treffen voor de grote reis naar Nieuw Guinea. Dat ging natuurlijk niet door vanwege die klootzak. Ik heb hem nooit meer gezien.

‘Het lid met de mond beroerd, dat soort termen’

Ik werkte op de rijkswerf als elektricien en lag ergens in de romp van een schip draadjes te leggen. Er kwam een politieagent en die zei: “John, wil je even met me meegaan, we willen met je praten.” Ik moest mee naar het bureau. Daar zegt zo’n rechercheur: “We hebben hier een aanklacht van Kees van Ginneken dat jij dat en dat met hem hebt gedaan.” Ik kan de juiste termen niet meer herinneren, ontuchtige handelingen, het lid met de mond beroerd, dat soort termen. Ik zei: “Dat klopt.” Ik was zo naïef.

Later zei mijn advocaat, die man kende mij, ik voetbalde met zijn zoon: “Waarom zei je niet dat die jongen uit zijn nek lult.” “Maar het is toch gebeurd.” En hij weer: “Jezus, het is jouw ja tegen zijn nee.” Ik had dus bekend en werd meteen vastgehouden, eerst een paar dagen in het politiebureau en toen naar Alkmaar in voorarrest. Dan krijg je, geloof ik, drie maanden in voorarrest. Voordat je berecht bent, heb je al drie maanden.

Die maanden liepen nog eens uit en weer drie maanden en in die tijd ben ik berecht. Ik was verbijsterd wat die officier van justitie met fonkelende ogen allemaal over mij beweerde. Ik was de meest vulgaire viezerik die er bestond. Wat ik allemaal met die jongen gedaan had, ik had hem voor zijn leven misbruikt. Kees was er zelf niet bij. Mijn advocaat vond het belachelijk gezien het leeftijdsverschil.

Betoging op het Binnenhof voor afschaffing van artikel 248bis in januari 1969, foto Jacques Klok (ANP)



Toen het begon was hij achttien en ik twintig, en bij rechtszaak was ik eenentwintig en hij negentien. Die advocaat eiste onmiddellijke vrijspraak, want die jongens hielden van elkaar, het was met wederzijds goedvinden gedaan, het was niet onder dwang gebeurd. De uitspraak was een jaar, waarvan zeven maanden voorwaardelijk en vijf onvoorwaardelijk. Ik werd overgeplaatst naar Utrecht en vervolgens naar Scheveningen om de resterende maanden uit te zitten.

‘Tussen twee kerels naar bureau Warmoesstraat’

Daarna keerde ik terug naar Den Helder en dat was niet prettig, je bent dan getekend. Al mijn oude vrienden ontliepen mij. Ik kon wel terug naar mijn werk. Toen ben ik naar Alkmaar gegaan. En daar kon ik weer gewoon voetballen. Ik denk dat ze in die zin wel aardig voor me zijn geweest, ze gaven die informatie over het delict niet door van de ene naar de andere club.

Ik heb acht maanden in Alkmaar gewoond. Maar voordat ik daarheen ging, leerde ik een jongen kennen, Simon, en wat was ik dol op die jongen en hij op mij. Wat we met elkaar deden gebeurde nooit tegen zijn zin. Hem wilde ik een leuk weekend in Amsterdam bezorgen.


We gingen naar Kees Manders in Saint Germain des Prés op het Rembrandtplein. Dat vond hij fantastisch. Ik had een hotel in de Warmoesstraat geboekt. Na de voorstelling gingen we wat drinken en daarna naar onze kamer en naar bed en daar hebben we elkaar verwend. Midden in de nacht, twee uur half drie werd er op de deur gebonsd. Ik deed de deur open en daar stonden twee mannen met gleufhoed en regenjas. Ze vroegen of ik meneer Welbergen was en of ik met Simon Kraak was. En tja, het was moeilijk te ontkennen want de knoeiboel lag op de grond.

De politie ging regelmatig bij hotels het gastenboek controleren en als daar twee mannen op een kamer sliepen, de een is negentien en de ander ouder, dan zou daar wel eens iets aan de hand kunnen zijn. Ik herinner me nog dat die agenten binnenkwamen. Ik kreeg het eerst ijskoud, toen brak het zweet me uit, ik piste in m’n broek, een angstaanval, zo bedreigend, twee van die gleufhoeden met die doek op de grond. Het was vreselijk.

Tussen twee kerels naar bureau Warmoesstraat, net nog niet geboeid. Meteen de cel in. Daar waren ze wel weer aardig. Simon kwam de andere dag vrij maar ik werd vastgehouden. Simon was negentien jaar. Een beetje dwars, maar ook dom van me. De tweede keer.

Weer een paar dagen op dat bureau gezeten, toen naar Huis van Bewaring op de Amstelveenseweg en opnieuw drie maanden voorarrest. Uiteindelijk heb ik de zeven maanden die ik voorwaardelijk had gekregen uit moeten dienen en geen extra straf gekregen.

Voor de rechtbank werd ik weer toegesproken van viezerik en zo. Ik ben toen nooit psychiatrisch onderzocht. Er is geen arts of psychiater bij me geweest. Bij het vooronderzoek kom je bij de rechter-commissaris en dat was een bekende amateur-organist, Romke de Waard. Die man was zo aardig en ik ben daar ontvankelijk voor. Ik was bereid mijn hele hebben en houden op tafel te leggen, waarom zou ik gaan liegen.

Ik heb twee jaar ambachtsschool gehad en dat was het. Ik heb het verder zelf uitgeknutseld. Wat wist ik van de wereld? Van homoseksualiteit had ik nooit gehoord. Ze zeiden bij de marine: “Je bent van de taai taai.” Het was iets raars maar dat ik zo iemand was, nee, ik dacht dat het normaal was. Hoe het zat is me later wel duidelijk geworden. Het vooronderzoek was toegespitst op de aanklacht en op dat ene voorval. Ze vroegen me niet naar andere zaken, wel of ik die neigingen meer had gehad. Ik zei dat ik meer op mannen dan op vrouwen viel.

‘De gevangenis was niet leuk’

Van de Amstelveenseweg ben ik naar Scheveningen overgeplaatst. Daar had je het luchten, dan loop je één of twee keer per dag in een groep rondjes op de binnenplaats. Aan de kleur van de kaart konden de andere gevangenen zien waarom je zat, fraude, inbraak, zalmkleurig was een zedenmisdrijf. Dus die kerels dachten allemaal dat ik me aan kleine meisjes of jongens had vergrepen. Ze kieperden me steeds uit hun rij. Dat kon nog leuk worden. Toen kwam er en grote kerel naar me toe en die zei: “Geef me een arm.” Dat bleek Haagse Puk te zijn, dat is wat je een bikker noemt, een souteneur.

Hij vroeg me: “Wat heb je gedaan, je hebt vast geen kip gejat.” Ik zei nee, en hij zei tegen me: “Twee rondjes en jij hebt geen last meer.” Ik heb nooit meer last gehad. Dat is een ongeschreven wet in de gevangenis, als zo’n man je zijn vriendschap aanbiedt, dan deug jij.

Ik zat daar een poosje. Dan moet je werken en je bent blij dat je de cel uit bent. Want dat is een erg onaangenaam verblijf van drie bij vier, daar stond een ton met chemicaliën in met een scherm eromheen, een ijzeren bed met een dun matrasje, een tafel en een stoel en dat was het. Het was geen pretje. Dus je was blij dat je die cel uit mocht en dat je moest werken. Knijpers in elkaar zetten.

Ik werd geplaatst op een afdeling letter zetten. Voor boeken. Voor formulieren van het ministerie. Daar zat ik met het “goede heertje,” een procuratiehouder die de bank had opgelicht voor vijf of zes miljoen. Een mooie man, heel sociaal. Er zat een jongen die zijn tante had vermoord voor vijfentwintig gulden. Alleraardigste jongen ook, erg lief.

Ik had een geestelijk raadsman, meneer van Bohemen van het Humanistisch Verbond, een heel aardige man, die heeft me toen goede boeken aangeraden. En me nooit gevraagd waarvoor ik zat. De gevangenis was niet leuk, maar zo vreselijk heb ik niet gevonden. Het verandert je kijk op de wereld, op mensen, ik ben gaan lezen, het heeft positief uitgepakt, een levensles.




‘Die stond met een erectie voor me te zwaaien’

In een boevenwagen ben ik door half Nederland gesleept: ik heb in Vught, Utrecht, Scheveningen, Alkmaar, Amsterdam gezeten. Je kreeg dan geen boeien om maar een stok in de broek, dan kon je niet weglopen. Dat heb ik zo kwetsend, zo beledigend gevonden. Die straffen hebben me zeker beïnvloed. Als de politie op mijn latere werkplek langskwam, schrok ik geweldig. Met andere homo’s praatte je er niet over dat je gevangen had gezeten, dat verdring je. Mijn moeder wilde me wel weer thuis hebben, maar mijn zuster wilde niks meer met me te maken hebben.

De mensen in Den Helder keken me met de nek aan. Als mannen interesse toonden, durfde ik ze niet aan te kijken. Ik wees mensen af die interesse toonden. Toen ik in Alkmaar verbleef, zat ik op voetbal en daar was een bloedmooie jongen van achttien die keepte. En die liep maar achter me aan. Hij was dol op me, wilde met me douchen. Ik dorst nauwelijks naar hem te kijken, ik was zo bang, zo schichtig. Hij toonde duidelijk dat hij interesse had. Op een gegeven moment hadden we afgesproken om naar het strand in Bergen te gaan. Daar gingen we voetballen en kwekken.


Toen vroeg ik hem, waar woon je eigenlijk, toen zei hij: “In Schutterswei, ja, mijn vader is directeur van de gevangenis.” Ik schrok me te pletter. Met die jongen heb ik het nooit gedaan.

Er was een andere jongen bij voetballen, ook een prachtige jongen. Die probeerde steeds met me te douchen. Die stond dan ook met een erectie voor me te zwaaien. Ik zei nee, nee. Maar met Simon heb ik het wel gedaan. Een jaar in de nor gezeten voor de liefde, voor smeerpijp aangezien te worden, je kunt het je nauwelijks nog voorstellen.

Dit artikel is een voorpublicatie uit de bundel Bewaar me voor de waanzin van het recht: Homoseksualiteit en strafrecht in Nederland, die in november verschijnt.





Commentaar:
Re: artikel 248bis - Om de liefde in de gevangenis-


Reactie van gerda van der wolf dd. 04 maart 2012
ja dit heb allemaal mee gemaakt van dicht bij het is mijn broer ik was toen zo beetje 10jr En hij schreef mijn brieven uit de gavangenis .ja ik kan me nog goed voor de geest halen dat zei dat zei .Ik rot jij dan maar het huis uit het is broer .daar hou je van hoe hij ook is .


Reactie van haras dd. 27 oktober 2012
haras / 27-10-2012

Ik ben benieuwd naar het boek!










GERELATEERDMEER VAN GERT HEKMAMEEST GELEZEN VAN GERT HEKMA

artikel 248bis - Om de liefde in de gevangenis

Gert Hekma, in Historie & Politiek op 19 december 2019
Reageren? Jouw reactie:

Je naam:
Email (wordt niet getoond):
min. 15 karakters, geen links of html svp




















bottom image




Entire © & ® 1995/2019 Gay International Press & Stichting G Media, Amsterdam. All rights reserved.
Gay News ® is een geregistreerde merknaam. © artikelen Gay News; duplicatie niet toegestaan. Opname uitsluitend na schriftelijke toestemming van uitgever, met verplichte bronvermelding gaynews.nl. Door derden overgenomen artikelen worden in rekening gebracht, en zo nodig geincasseerd. Gay News ISSN: 2214-7640, ISBN 8717953072009. Gay News op Wikipedia.
Volg Gay News:
Twitter Issuu
RSS RSS Editors
zelfstandige Escortboys

CMI
Neem contact op
Abonneren
Adverteren






© 1995/2019 Gay News ®, GIP/ St. G Media